direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Laag-Soeren Oost
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0275.BPLS2-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een digitale verbeelding (de kaart) en regels. Door het perceel op te zoeken waarover informatie wordt gewenst, kan worden afgelezen welke bestemming het heeft. In een bestemmingsplan worden de gebruiks- en bouwmogelijkheden van gronden en opstallen aangegeven door middel van kleuren en symbolen, waarbij per object regels zijn gegeven. De regels bevatten de materiële inhoud van de bestemmingen. Uit het samenstel van de verbeelding en de regels blijkt wat juridisch wordt toegestaan.
Een bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft geen juridische status.

1.2 Aanleiding bestemmingsplan

Reeds vele jaren is de gemeente Rheden van plan om op de locatie Nimmer Dor in het dorp Laag-Soeren woningbouw mogelijk te maken. Dit om de gewenste uitbreiding van het woningaanbod in het dorp te realiseren.

De mogelijkheden voor een uitbreiding van het dorp met nieuwe woningen worden beperkt door het waardevolle gebied dat het dorp omringt. Met name aan de westzijde is Laag-Soeren, via een kleinschalige agrarische bufferzone, zeer sterk verweven met het uitgestrekte bosgebied van de zuidelijke Veluwezoom. Aan deze zijde van het dorp zijn uitbreidingsmogelijkheden dan ook uitgesloten, dit in tegenstelling tot een afronding in oostelijke richting.

De eerste ideeën over woningbouw op Nimmer Dor zijn ontstaan in de jaren negentig. Destijds was een kleinschalige woningbouw voorzien op deze locatie bestaande uit voornamelijk grote, vrijstaande woningen. Mede door de behoefte aan een gedifferentieerd woningaanbod is in 2005 een plan ontwikkeld met een woningdichtheid dat overeenkwam met de woonwijk tussen de Rozesteinweg en de Professor Huetlaan in Laag-Soeren. Dit leidde tot het voornemen om op Nimmer Dor een plan met meer dan honderd woningen te realiseren.

Echter tijdens het vooroverleg en procedure bleek de haalbaarheid van een dergelijk plan niet mogelijk. Een belangrijk aspect is dat er rekening dient te worden gehouden met de aanwezigheid van de steenuil in het gebied. Ook de ontwikkelingen op de woningmarkt gaven reden tot heroriëntatie. De gemeenteraad heeft in haar Woonvisie gekozen voor meer nadruk op kwaliteit in plaats van kwantiteit.

De gemeenteraad heeft vervolgens op 1 maart 2011 opnieuw het kader voor onderhavige locatieontwikkeling vastgelegd in de Nota van Uitgangspunten.

Uitgangspunt is thans woningbouw op het zuidelijke deel van het plangebied Nimmer Dor met een gereduceerd woningbouwprogramma. Er is een stedenbouwkundig plan ontwikkeld voor de bouw van een zestigtal woningen. De ruimtelijke kwaliteit is daarbij leidend.

Naast de ontwikkeling van Nimmer Dor is het vigerende bestemmingsplan geactualiseerd, waarbij tevens herontwikkeling ten behoeve van woningbouw van enkele bestaande bouwlocaties mogelijk wordt gemaakt. Dit betreffen het voormalige pompstation en garagebedrijf Van den Brink aan de Harderwijkerweg 54-58, de voormalige agrarische erven aan de Professor Talmalaan 5 en 7 en DE bestaande bouwmogelijkheid eveneens aan de Professor Talmaweg naast nr. 1a waarbij één extra bouwvlak ten behoeve van een vrijstaande woning is toegevoegd.

Het stedenbouwkundig plan dat is ontwikkeld past niet binnen de geldende bestemmingen in het huidige bestemmingsplan Laag-Soeren 1985. Om woningbouw mogelijk te maken is daarom een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk.

Voorts is het geldende bestemmingsplan dermate verouderd dat een actualisatie, met inachtneming van de actuele wet- en regelgeving wenselijk is. Met onderhavig bestemmingsplan Laag-Soeren Oost wordt de zogenoemde 'witte vlek' tussen het bestemmingsplan Laag-Soeren en het bestemmingsplan Landelijk Gebied actueel bestemd.

1.3 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de oostzijde van het dorp Laag-Soeren. Aan de westzijde is het plangebied begrensd door de lintbebouwing aan de Harderwijkerweg. Aan de noordzijde is het plangebied begrensd door een onverhard pad dat loopt van de Professor Talmaweg naar de Harderwijkerweg met daarachter een kwekerij. Aan de oostzijde is het plangebied begrensd door de Professor Talmaweg en aan de zuidzijde door de bebouwing aan de Van Zwietenlaan.

Als uitgangspunt voor de bepaling van de omvang het plangebied is dat gedeelte van de gemeente waarvoor thans nog geen actueel bestemmingsplan, te weten bestemmingsplan Laag-Soeren of bestemmingsplan Landelijk Gebied, geldt.

Op onderstaande luchtfoto is de begrenzing van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0275.BPLS2-ON01_0001.png"

1.4 Geldend bestemmingsplan

Voor onderhavig plangebied geldt het bestemmingsplan Laag-Soeren 1985 dat door de gemeenteraad is vastgesteld op 29 oktober 1985. Bij besluit van 27 november 1986 is het bestemmingsplan goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Gelderland.

De gronden hebben grotendeels de bestemming Recreatieve doeleinden ten behoeve van een manage en de bestemming Agrarische doeleinden. Daarnaast is sprake van de bestemming Woondoeleinden met tuinen en erven en bedrijfsdoeleinden. De wens om woningbouw in het zuidelijk gedeelte van het plangebied mogelijk te maken op basis van het stedenbouwkundige plan, is binnen deze bestemmingen niet mogelijk. Ook overige bestemmingen dienen geactualiseerd te worden ten behoeve van de geprojecteerde ontwikkelingen.

Hoofdstuk 2 Beleid

In dit hoofdstuk komt het ruimtelijk beleid op hoofdlijnen aan de orde. Het gaat hier om vigerend beleid op rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau. Bij de beoordeling van de haalbaarheid in Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op specifiek beleid.

2.1 Rijksbeleid

Nota ruimte

Onder het motto decentraal wat kan, centraal wat moet, heeft de Tweede Kamer op 17 mei 2005 ingestemd met de Nota Ruimte. Deze nota bevat de visie van het Rijk op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en is begin 2006 in werking getreden. In het nationaal ruimtelijk beleid stelt het rijk zich tot doel het versterken van de internationale concurrentiepositie van Nederland, bevordering van krachtige steden en een vitaal platteland, borging en ontwikkeling van belangrijke (inter)nationale ruimtelijke waarden en borging van de veiligheid. Deze vier doelen worden in onderlinge samenhang nagestreefd en zijn een uitdrukking van de voornaamste ruimtelijke beleidsopgaven die het kabinet ziet voor de kortere en langere termijn.

Het Rijk zet in op realisering van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in 2018. Hiervoor zijn gebieden aangewezen die door de provincie nader worden begrensd. De Veluwe en de IJsseluiterwaarden maken onderdeel uit van de EHS en er zijn twee ecologische poorten aangewezen om de Veluwe te verbinden met uiterwaarden en verder richting Duitsland, te weten de Haviker- en de Soerensepoort. Zodoende kan een netwerk van onderling verbonden natuurgebieden ontstaan.

Daarnaast zet het Rijk in op de kwaliteit van het landschap. Deze bestaat uit zowel algemene landschappelijke, natuurlijke, culturele als cultuurhistorische waarden. Eén van de sturingselementen om waardevolle landschappen te behouden is door het aanwijzen van Nationale landschappen. In grote lijnen komt het erop neer dat het uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid in deze gebieden behoud door ontwikkeling is. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk mits de kwaliteit van het landschap wordt behouden of versterkt. De gemeente Rheden en daarmee het dorp Laag-Soeren, is bijna in zijn geheel aangewezen als onderdeel van het Nationaal landschap Veluwe.

Het Rijk heeft in de Nota Ruimte opgenomen dat voor Nationale landschappen het migratiesaldo 0 geldt. Dit houdt in dat er in Nationale landschappen woningen mogen worden gebouwd voor de eigen bevolkingsaanwas. Het migratiesaldo, het verschil tussen de verhuisbewegingen naar en vanuit het Nationaal Landschap, mag maximaal op nul uitkomen. Het Rijk vraagt de provincies met de gemeenten in de Nationale Landschappen afspraken te maken over de omvang en locatie van de woningbouw in relatie tot dit migratiesaldo 0. Het rijk gaat daarbij van een regionale benadering uit, op het niveau van een Nationaal Landschap. De provincie Gelderland heeft in dat kader in het streekplan Gelderland 2005 en het Kwalitatief Woningbouwprogramma (KWP) de beleidslijnen vastgelegd voor wonen. Dit beleid, waarvan de Streekplanuitwerking Zoekzones verstedelijking en landschappelijke versterking een uitwerking is, past volledig binnen de benadering van het Rijk om terughoudend te zijn met stedelijke functies in de Nationale landschappen. De provincie zal dan ook geen aanvullende afspraken met de gemeenten maken over woningbouw in Nationale Landschappen. Het ministerie van VROM heeft ingestemd met deze benadering.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ladder voor duurzame verstedelijking daar als procesvereiste aan toegevoegd. De toets aan deze ladder is uitgewerkt in hoofdstuk 4 haalbaarheid, paragraaf 4.9.

2.2 Provinciaal beleid

De provinciale visie op ruimtelijk gebied is vastgelegd in de provinciale structuurvisie Streekplan Gelderland 2005 en verschillende uitwerkingen en herzieningen daarvan. De structuurvisie is erop gericht de verschillende functies in regionaal verband een zodanige plek te geven dat de ruimtelijke kwaliteiten in Gelderland worden versterkt en er zuinig en zorgvuldig met de ruimte wordt omgegaan. Het provinciale beleid richt zich op het groenblauwe raamwerk (natuur en water) en het rode raamwerk (stedelijke functies en infrastructuur). Het overige provinciale grondgebied wordt het multifunctionele gebied genoemd en is het domein van de gemeenten die daartoe in regionaal verband samenwerken.

In het streekplan is het onderhavige plangebied aangegeven als multifunctioneel gebied, extensiveringszone intensieve veehouderij en als waardevol landschap. Het multifunctioneel gebied beslaat het grootste deel van de provincie. Dit gebied omvat de steden, dorpen, buurtschappen buiten de provinciaal ruimtelijke hoofdstructuur, waardevolle landschappen en het multifunctioneel platteland. In het provinciaal planologisch beleid wordt op deze gebieden geen expliciete provinciale sturing gericht.


Vitaliteit van de multifunctionele gebieden wordt bevorderd door planologische beleidsvrijheid voor samenwerkende gemeenten gericht op onder andere vitale steden en dorpen: elke regio heeft buiten een stedelijk netwerk of een regionaal centrum vele verspreid liggende steden, dorpen en buurtschappen die tezamen het voorzieningenniveau bepalen. In en bij deze bebouwde gebieden moet de regionale behoefte aan 'dorps' wonen geaccommodeerd kunnen worden, waarbij wordt gestimuleerd dat met dit ruimtelijk programma tegelijk wordt geïnvesteerd in de ontwikkeling van de groene en recreatieve omgevingskwaliteit. Het voorgestane plan voldoet aan deze behoefte en zorgt voor een kwalitatieve impuls.


In het streekplan maakt onderhavige locatie deel uit van het waardevolle landschap Zuidelijke IJsselvallei. Dit landschap ligt grotendeels binnen de globale begrenzing van het Nationaal landschap Veluwe. Het is de overgang van stuwwal met besloten boslandschap via halfopen dekzandlandschap naar open rivierenlandschap IJssel. Het gaat om een kleinschalig mozaïeklandschap met grote afwisseling van relatief open tot besloten landschap. Het bebouwingspatroon is in de vorm van dorpen langs de rand van het Veluwemassief en op de oeverwal. De uitbreiding van het dorp Laag-Soeren met het voorgestane stedenbouwkundig plan, gelegen binnen de woningbouwcontour, past binnen de kwaliteiten van het multifunctioneel gebied en het waardevol landschap. De behoefte aan 'dorps' wonen kan op kleine schaal worden geaccommodeerd en het plan (met gedeeltelijk open gebied) en de inrichting van het stedenbouwkundig plan draagt bij aan de omschreven kwaliteiten van het landschap.


Gezien de mogelijkheden die de Wet ruimtelijke ordening biedt, hebben Provinciale Staten van Gelderland op 15 december 2010 de Ruimtelijke Verordening Gelderland vastgesteld. Deze verordening is herzien met ingang van 27 juni 2012. In de Ruimtelijke Verordening zijn punten van provinciaal beleid juridisch vastgelegd en stelt daarmee eisen ten aanzien van de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen. Op grond van de Ruimtelijke Verordening Gelderland is nieuwe woonbebouwing slechts toegestaan binnen de aangegeven woningbouwcontour/concessiegrenzen. De in het plangebied gelegen locaties zijn hierbinnen gelegen. De verordening geeft derhalve geen aanleiding voor opmerkingen ten aanzien van deze locaties c.q. ten aanzien van het voorliggende plan.


De provincie Gelderland kiest in haar woonvisie voor een regionale aanpak, die erop gericht is het aanbod van woningen en woonmilieus zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de voorkeuren en woningbehoeften van bewoners. Om ontwikkelingen op de regionale woningmarkt inzichtelijk te maken, heeft de provincie het driedelige beleidskader 'Keuzevrijheid & Identiteit' opgesteld. Hierin staan onder meer de uitgangspunten van het woonbeleid, analyses van de Gelderse regio's en regionale afspraken met gemeenten. Onderdeel van het drieluik is het Kwalitatief WoonProgramma (KWP) dat onder andere de programmatische opgave voor de Stadsregio Arnhem Nijmegen beschrijft.

Het voorliggende bestemmingsplan is niet strijdig met het provinciale woonbeleid.


Stadsregio Arnhem Nijmegen
Voor de Stadsregio Arnhem Nijmegen is het Regionaal Plan 2005-2020 vastgesteld. In het Regionaal Plan zijn gemeenschappelijke ontwikkelingsambities vastgelegd. In 2011 heeft de Stadsregioraad de verstedelijkingsvisie 'Van Koers naar Keuze' vastgesteld. Deze visie is een nadere uitwerking van de uitgangspunten van het Regionaal Plan en bevat de verstedelijkingsopgave voor de periode 2010-2020. Daarnaast zijn afspraken opgenomen over de binnenregionale woningbouwprogrammering. Met het Rijk heeft de Stadsregio afgesproken om in de periode tot 2020 circa 26.000 woningen te bouwen. Dit is tevens het uitgangspunt in de regionale afspraken met de provincie Gelderland in het kader van het Kwalitatief WoonProgramma. De contouren uit het Regionaal Plan waarbinnen nieuwbouw kan plaatsvinden, blijven ongewijzigd. Het plangebied ligt binnen deze woningbouwcontouren.

In 2012 hebben de Stadsregio en regiogemeenten bestuursovereenkomsten afgesloten. Deze overeenkomsten zijn bedoeld om de verstedelijkingsvisie te concretiseren en onderlinge afspraken over onder andere het woningbouwprogramma te borgen. De gemeente Rheden maakt in dit verband onderdeel uit van de subregio Arnhem Noord. In de uitvoering van de 'Bestuursovereenkomst Verstedelijking & Mobiliteit subregio Arnhem Noord' is met de andere gemeenten en provincie gesproken over het woningbouwprogramma van de gemeente Rheden en de geplande bouwopgave in Laag-Soeren. In de gesprekken is geconcludeerd dat de opgave past bij de regionale behoefte en niet concurreert met andere woningbouwprojecten in de subregio.

Het voorliggende bestemmingsplan is niet strijdig met de regionale beleidskaders voor wonen.

2.3 Gemeentelijk beleid

In 2006 heeft de gemeenteraad de structuurvisie 'Een droom om in te wonen' vastgesteld. In deze visie wordt Laag-Soeren gekenschetst als een rustig en prachtig gelegen woondorp met weinig voorzieningen en een kern die omsloten is door waardevolle natuur en landschap. Het plangebied is in de structuurvisie aangewezen als ontwikkelingslocatie. Het woonmilieu in Laag-Soeren is vooral aantrekkelijk voor gezinnen, starters uit het dorp zelf en mobiele ouderen voor wie het grotendeels ontbreken van voorzieningen geen bezwaar is.

In de woonvisie 'Wonen met toekomst', vastgesteld door de gemeenteraad in 2009, wordt de basis gelegd voor het gemeentelijke woonbeleid. In de visie streeft de gemeente naar een toekomstbestendige woningvoorraad. De focus ligt daarbij op kwaliteit en in het bijzonder op een kwaliteitsverbetering van de bestaande woningvoorraad. Nieuwbouw blijft echter een belangrijk instrument van het woonbeleid. De nieuwbouwcapaciteit die resteert, wordt benut met grote zorgvuldigheid. Bij nieuwbouw ligt het accent minder op kwantiteit en meer op woningbouw ter versterking van de lokale woonkwaliteit en identiteit. Voor de kleine kernen, waaronder Laag- Soeren, is het uitgangspunt dat grotere nieuwbouwlocaties zodanig worden benut dat zij een bijdrage leveren aan het in stand houden van de sociale structuur en leefbaarheid van de kern.

Het voorliggende bestemmingsplan past binnen de gemeentelijke beleidskaders.

Hoofdstuk 3 Beschrijving van het plan

3.1 Beschrijving huidige situatie

Het dorp Laag-Soeren

Laag-Soeren ligt in het noordoosten van de gemeente Rheden. Het dorp is gesitueerd tussen een aantal lager gelegen beken in het zuiden en grotere boscomplexen in het noorden. Het dorp Laag-Soeren was lang een bescheiden nederzetting van verspreid gelegen boerderijen en arbeiderswoningen te midden van akkers en weilanden. Ten oosten en noorden daarvan lag het Soerensche veld. Voor de verdere ontwikkeling van het dorp waren de achttiende en negentiende-eeuwse ontginningen van belang. Vooral de aanleg van een sprengenstelsel waarmee de opkomst en ontwikkeling van de papierindustrie, de korenwatermolen, de wasserij en het kuuroord verbonden waren, was van groot belang.

De huidige dorpskern bestaat uit een concentratie van hoofdzakelijk negentiende- en twintigste-eeuwse gebouwen langs de Harderwijkerweg en langs de Jut van Breukelerwaardlaan. De Harderwijkerweg is een oude handelsweg die van Doesburg parallel aan de stuwwal loopt naar Harderwijk.

Een belangrijke voorziening voor het dorp Laag-Soeren is 't Sprengenhus. Dit 'kulturhus' met zijn voorzieningen, waaronder een school, verenigingen en een winkeltje, levert een belangrijke bijdrage aan de leefbaarheid en de sociale kwaliteit van de kern Laag-Soeren. De school is een belangrijke bindende factor in Laag-Soeren. De school kent een achteruitgang van het aantal leerlingen waardoor het kunnen bieden van goed onderwijs en het zijn van een sterke school in het gedrang is. De school is de katalysator van het verenigingsleven in Laag-Soeren. De toevoeging van woningen op de locatie Nimmer Dor is van belang voor het behoud van de school en daarmee de leefbaarheid in Laag-Soeren.

Stedenbouwkundige karakteristiek

De stedenbouwkundige karakteristiek van het dorp Laag-Soeren is vrij eenvoudig van opzet. De Harderwijkerweg vormt de ruggengraat van het dorp waaraan de eerste lintbebouwing ontstond. In een later stadium spreidde deze bebouwingsvorm zich uit langs aangrenzende wegen en paden. Pas in de jaren zeventig van de vorige eeuw vond de eerste (voor Soerense begrippen) grootschalige dorpsuitbreiding plaats. Deze uitbreiding in het noorden van het dorp bestaat hoofdzakelijk uit woonbebouwing geconcentreerd rond een open groene (speel)ruimte.

De hoofdfunctie van de dorpsbebouwing is voornamelijk een woonfunctie met (met name langs de Harderwijkerweg) enkele bedrijfsmatige- en maatschappelijke instellingen. De omgeving van het dorp heeft een overwegend agrarisch karakter of betreft bosgebied.


Karakteristiek voor de opzet van het dorp Laag-Soeren is de landschappelijke inpassing van het dorp op de overgang van het beboste Veluwelandschap naar een meer open landschapsvorm ten oosten van het dorp. Door de schaal van het dorp is het omliggende landschap vrijwel overal in het dorp waarneembaar.


Plangebied

Het plangebied is gelegen aan de oostzijde van de Harderwijkerweg, achter de karakteristieke lintbebouwing. Momenteel kent dit terrein een hoofdzakelijk agrarisch karakter. In het gebied bevinden zich verspreid enkele paarden- en schapenweitjes. Het beeld van het plangebied wordt voornamelijk door deze weitjes en door informele achtererven en vrijstaande bebouwing bepaald.

Door het plangebied lopen geen verharde wegen. Vanaf de Professor Talmaweg is toegang tot het gebied mogelijk. Ook vanaf de Harderwijkerweg is toegang tot het gebied mogelijk via een onverhard pad. Dat pad is gelegen naast de karakteristieke boerderij 'Nimmer Dor'.

Het voormalige pompstation in de noordwesthoek is ruimtelijk meer georiënteerd op de Harderwijkerweg dan op het landelijke gedeelte van het plangebied.

3.2 Het stedenbouwkundig plan

Het belangrijkste kenmerk van de inrichting van het plangebied is de tweedeling van het gebied; het noordelijke gedeelte van het plangebied behoud zijn landschappelijke karakter en maakt onderdeel uit van het leefgebied van de steenuil terwijl het zuidelijke gedeelte van het plangebied meer intensief wordt ontwikkeld ten behoeve van woningbouw. Deze opdeling wordt gemotiveerd door de landschappelijke context van het plangebied en -meer pragmatisch- de ontsluitingsmogelijkheden van het zuidelijke gedeelte.


Door het zuidelijke gedeelte meer intensief te ontwikkelen blijft het noordelijke gedeelte onderdeel van de landschappelijke openheid ten oosten van het plangebied. Hierdoor reikt het open landschap tot aan de bebouwing van de Harderwijkerweg, wat kenmerkend is voor het dorp.

Het zuidelijke gedeelte ligt in de oksel van lintbebouwingsstrengen langs de Harderwijkerweg, de Van Zwietenlaan en het zuidelijke gedeelte van de Professor Talmaweg. De aanwezigheid van deze routes maakt eveneens dat het zuidelijke gedeelte goed te ontsluiten is.


De volgende afbeelding geeft de stedenbouwkundige opzet weer van het zuidelijke gedeelte van het plangebied:

afbeelding "i_NL.IMRO.0275.BPLS2-ON01_0002.png"

In het zuidelijk plandeel wordt ruimte geboden aan maximaal 60 woningen in een gedifferentieerd programma. De bebouwingsvormen variëren van vrijstaande woningen tot twee-onder-één-kap woningen en rijwoningen (waaronder seniorenwoningen). Deze verschillende bebouwingsvormen zijn afwisselend in het plangebied gesitueerd om het gevarieerde dorpse beeld te behouden. De noord- en oostzijde van het plangebied zijn met name gereserveerd voor meer open bebouwingsvormen, in aansluiting op de directe omgeving en de dorpskarakteristiek. Dit geeft de randen van het plangebied welke grenzen aan het landschap een transparant karakter, waardoor het landschap in het plangebied 'voelbaar' blijft.
Om de interactie met het landschap te optimaliseren zijn er verschillende groene corridors opgenomen die het nieuwe woongebied in het landschap verankeren en de toegankelijkheid van het gebied door paden vergroten.


De twee hoofdontsluitingen zijn gesitueerd aan de westzijde (ontsluiting op de Harderwijkerweg) en de zuidzijde (ontsluiting op de Van Zwietenlaan). De ontsluiting op de Harderwijkerweg wordt aangemerkt als hoofdontsluiting van het woongebied. Dit is logisch gezien het feit dat het gehele dorp vanuit haar ruggengraat (de Harderwijkerweg) is opgebouwd en tegenover deze ontsluiting van het plangebied het 'nieuwe dorpshart' is gelegen in de vorm van het Sprengenhus dat onderdak biedt aan onder andere een basisschool, verschillende verenigingen, een huisartsenpost, etc.

De aanvulling op het woningbestand van het dorp Laag-Soeren moet in zekere zin ook bijdragen aan de economische vitaliteit, de leefbaarheid en het draagvlak voor voorzieningen.


Het woongebied kent een ruime opzet die aansluit op de ruimtelijke structuur van het dorp. De wegen kennen een brede profilering en een groen karakter door de begeleidende bomen. De aangrenzen woningen zijn georiënteerd op de openbare ruimte en speels gesitueerd; strakke rooilijnen worden vermeden. De bebouwing wordt opgebouwd in maximaal twee bouwlagen met een kap en kent een gevarieerde architectonische uitwerking zonder de dorpse signatuur te verliezen. Nadere beeldkwaliteitseisen ten aanzien van zowel de bebouwing als de inrichting van de openbare ruimte zijn beschreven in het beeldkwaliteitsplan.


Centraal in het zuidelijk gedeelte van het plangebied is een open ruimte gelegen. Deze ruimte fungeert als een groen ontmoetings- en speelpleintje. Deze ruimte is gelegen nabij de hoofdentree vanaf de Harderwijkerweg waardoor het woongebied direct bij binnenkomst een groene uitstraling kent. De groene ruimte is voorts gelegen in het verlengde van een groene corridor die naar het noordelijke (landelijke) gedeelte van het plangebied leidt. De hier gelegen houtwal (in noord-zuidrichting) kan hierdoor tot in het woongebied reiken. Door de ligging van de centrale ruimte en de functie ervan wordt het woonbuurtje voorzien van een eigenheid, waaraan het woongebied haar identiteit (deels) kan ontlenen.


In de zuidoosthoek van het plangebied is eveneens een groene ruimte gelegen. Deze wordt enerzijds noodzakelijkerwijs bepaald door de hindercirkel die uitgaat van de paardenhouderij aan de Van Zwietenlaan. Anderzijds doet deze groene ruimte recht aan het afwisselende ruimtelijke beeld (bebouwing afgewisseld met groen) van de aangrenzende percelen aan dit gedeelte van de Professor Talmaweg. Tevens is deze zuidoosthoek van het plangebied het meest laag gelegen gedeelte van het plangebied. Dit biedt kansen voor de afwatering van het gebied. Het is dan ook waarschijnlijk dat hier een voorziening voor deze functie wordt gerealiseerd (wadi of poel).


Het noordelijke gedeelte van het plangebied is onderdeel van het foerageergebied van de in de nabijheid van het plangebied aanwezige steenuil. Het huidige agrarische beheer van het gebied wordt in het bestemmingsplan als dusdanig bestemd (bestemming agrarisch met landschappelijke en natuurwaarden). De vigerende bestemming (recreatieve doeleinden-manege) inclusief de bijbehorende bouwmogelijkheden komt daarmee te vervallen.

Eveneens komt de bedrijfsbestemmings van het Van de Brinkterrein (in de noordwesthoek van het plangebied) te vervallen. Op dit terrein wordt een woonbestemming gelegd. Op het terrein worden drie bouwvolumes toegestaan. Het bouwvolume aan de Harderwijkerweg oriënteert op deze route en doet qua volumeopbouw, korrel, uitstraling mee in het bebouwingslint naast de Harderwijkerweg. De twee volumes op het achterterrein worden ontsloten door het bestaande ontsluitingspad dat een informele verbinding vormt tussen de Eerbeekseweg en de Professor Talmaweg. Deze twee bouwvolumes vormen de overgang van de dorpsbebouwing van Laag Soeren en het landelijke karakter van het noordelijke gedeelte van het plangebied. Deze overgang komt tot uitdrukking in situering van de bouwvolumes op het perceel, omvang en volumeopbouw (hoogtemaatvoering).

Aan de voormalige agrarische percelen in de noordoosthoek van het plangebied wordt eveneens een woonbestemming toegekend, conform het feitelijke gebruik. De agrarische functie is niet meer van toepassing en de bestaande agrarische bebouwing zal komen te verdwijnen. Op de gronden worden twee bouwvolumes ten behoeve van woningen toegestaan (waarvan de oorspronkelijke boerderij/dienstwoning er één vormt) die zich qua maat, schaal en situering verhouden tot agrarische gebied waarin het is gelegen.

Tot slot wordt de vigerende woonbestemming aan de Professor Talmaweg (Professor Talmaweg 1a en gronden direct ten noorden daarvan) overgenomen. Binnen deze woonbestemming wordt een extra bouwvolume toegestaan (tussen bestaande woning en vigerende bouwmogelijkheid) passend binnen het bebouwingslint van de Professor Talmaweg.

3.3 Landschapsplan

Hoewel niet geheel noodzakelijk is de gemeente Rheden bereid het leefgebied van de steenuil in en om Laag-Soeren op te waarderen. In overleg met de Steenuilenwerkgroep van IVN en de Gelderse Natuur- en Milieufederatie wordt gewerkt aan een landschapsplan, gericht op de leefbaarheid van het gebied voor de steenuil in de omgeving van Laag-Soeren. In dit plan wordt vastgelegd welke maatregelen kunnen worden genomen om de kwaliteit van het leefgebied van de steenuil in de omgeving te verbeteren. Eén van de maatregelen betreft het beter inrichten en beheren van het noordelijke deel van het plangebied. Deze maatregel wordt door de gemeente als noodzakelijk gezien. Het noordelijk deel dreigt voor de steenuil te verslechteren. Met de Soortenstandaard (Beschrijving habitat Steenuil) als basis is er voor het noordelijke deel een landschapsplan gemaakt. Het gebied wordt onder andere ingericht als weiland met hagen en houtwallen zodat een optimaal foerageergebied ontstaat voor de steenuil. Het landschapsplan is bindend opgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Hiermee staat vast hoe het gebied moet worden ingericht. Daarnaast zijn er om de inrichting en het beheer van het gebied te borgen, in aanvulling op de mogelijkheden die het bestemmingsplan hiertoe biedt, beheerovereenkomsten gesloten met de eigenaren.

Hoofdstuk 4 Haalbaarheid

Wanneer een bestemmingsplan wordt vervaardigd, dient dit plan binnen de planperiode uitvoerbaar te zijn. De uitvoerbaarheid wordt mede onderzocht door het te toetsen aan regelgeving, beleid van de gemeente en van andere overheden en uitkomsten van onderzoeken.

4.1 Geluid

De Wet geluidhinder is voor het onderdeel weg- en railverkeerslawaai van toepassing op geluidgevoelige gebouwen die zijn geprojecteerd binnen zones van (al dan niet) in het plangebied gelegen wegen. Wegen die deel uitmaken van een woonerf en van een 30-kilometer zone zijn daarvan uitgezonderd. Aan de orde is het toelaten van woningbouw waar deze geluidgevoelige functie voorheen niet was toegelaten, binnen de zone van wegen waarop de Wet geluidhinder van toepassing is.


De streefwaarde voor geluidbelasting die wordt veroorzaakt op de gevel bedraagt zowel in binnenstedelijk als in een buitenstedelijk gebied 48 dB. In een binnenstedelijke situatie kunnen hogere grenswaarden worden vastgesteld tot en met 63 dB. In een buitenstedelijk gebied tot en met 53 dB.


De locatie waarop onderhavig bestemmingsplan betrekking heeft, is gelegen in binnenstedelijk gebied.

Onderzoek
Uit het akoestisch onderzoek Plan Nimmer Dor te Laag-Soeren, onderzoek naar verkeersgeluid van dBvision gedateerd 18 maart 2013 en genummerd GEM064-02-02sb, blijkt dat de geluidsbelasting op de gevel ten gevolge van het wegverkeer ten hoogste 62 dB bedraagt. Het onderzoek is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Er zal een procedure ten behoeve van de verlening van hogere grenswaarden worden gevolgd.

Het verrichte akoestisch onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd (Bijlage 1 Akoestisch onderzoek Plan Laag-Soeren Oost, dBvision, 10 juli 2013).

4.2 Bodem

Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een

eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een

nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem

geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming.

Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden

aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering,

financieel uitvoerbaar is.

Nimmerdor

Voor dit bestemmingsplan is door Econsultancy in maart 2013 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit de onderzoeken blijkt dat in de bovengrond plaatselijk sprake is van een lichte bodemverontreiniging. In één van de peilbuizen is een sterke olieverontreiniging aangetroffen die vermoedelijk veroorzaakt wordt door humuszuren (veenlaag). De peilbuis zal in de zomer worden herbemonsterd. PM. Deze verontreiniging is zo gering dat deze geen belemmering vormt voor de bestemmingswijziging.

Prof. Talmaweg naast 1a

Tijdens een verkennend bodemonderzoek is er asbest aangetroffen. Vervolgens is ter plaatse een nader onderzoek naar asbest in de bodem uitgevoerd (Econsultancy bv. rapportnummer 06022128). Uit dit onderzoek blijkt dat er sprake is van een ernstig geval in de zin van de wet Bodembescherming. In mei wordt de bodemsanering uitgevoerd. PM

Prof. Talmaweg 5-7.

Op de locatie is door Econsultancy in april 2013 een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat in de bovengrond geen verontreiniging is aangetroffen. De ondergrond en het grondwater zijn heel licht verontreinigd. Er is geen asbest in of op de bodem aangetroffen. De lichte verontreiniging is zo gering dat deze geen belemmering vormt voor de bestemmingswijziging.

Harderwijkerweg 54-58

Op de locatie zijn in de loop der jaren verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd. In maart 2007 is er een verkennend bodemonderzoek op de gehele locatie uitgevoerd gevolgd door een nader onderzoek en een verkennend asbest onderzoek in mei 2007 en een nader asbest onderzoek in november 2007. Alle onderzoeken zijn uitgevoerd door de firma Econsultancy.

Op het voorterrein grenzend aan de Harderwijkerweg zijn in 2008 de (lege) brandstoftanks van het voormalig tankstation verwijderd. Voorafgaand aan de verwijdering is bodemonderzoek uitgevoerd rondom de tanks (mei 2008 door de firma Vink). En na afloop is ter controle nogmaals het grondwater onderzocht op minerale olie( Econsultancy).

Uit de onderzoeken is het volgende gebleken. Op het oostelijke terrein deel is sprake van een puinhoudende laag. In die laag zijn stukjes glas, plastic en asbest zichtbaar. In de puinhoudende laag is analytisch ook asbesthoudend materiaal aangetroffen. De asbestverontreiniging is nader onderzocht. In 3 van de 7 sleuven werd analytisch asbest aangetroffen. Het ging om een asbestconcentratie van 1, 1,9 en 8,8 mg/kg d.s. De interventiewaarde/restconcentratienorm voor (niet-) hechtgebonden asbest is 100 mg/kg d.s. De aangetroffen waarden liggen dus ver onder de interventiewaarde. Er is daarom geen sprake van een gezondheidsrisico en ook is geen sprake van asbestverontreiniging in de zin van de wet Bodemverontreiniging. Er hoeft dus niet gesaneerd te worden.

In de bodem (onder, boven en naast de puinhoudende laag) is sprake van een lichte verontreiniging. Deze lichte verontreiniging vormt geen belemmering voor welk gebruik dan ook.

Op 1 plek is sprake van een sterke zinkverontreiniging. Deze sterke zinkverontreiniging lijkt verband te houden met de in de boring aangetroffen metaalresten. De zinkverontreiniging is geen ernstig geval in de zin van de wet Bodembescherming. Er ligt dus geen saneringsverplichting op.

De relevante bodemonderzoeken en een bijbehorende brief van de provincie zijn als bijlagen aan deze toelichting toegevoegd (Bijlage 11 Verkennend bodemonderzoek Nimmer Dor, Econsultancy, 16 april 2013, Bijlage 12 Saneringsplan Prof. Talmaweg 3 (Nimmer Dor), Econsultancy, 26 oktober 2006, Bijlage 13 Nader onderzoek asbest in bodem Prof. Talmaweg 3, Econsultancy, 18 mei 2006, Bijlage 14 Verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem Prof. Talmaweg 5 en 7, Econsultancy, 23 april 2013)

4.3 Milieuzonering

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Rheden de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten, is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer.

Bij het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter

Onderstaande tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

Richtafstanden conform VNG-brochure (bron: VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering', 2009)

milieucategorie     richtafstand tot omgevingstype
rustige woonwijk    
richtafstand tot omgevingstype
gemengd gebied    
1     10 m     0 m    
2     30 m     10 m    
3.1     50 m     30 m    
3.2     100 m     50 m    
4.1     200 m     100 m  
 
     

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied.

Milieuzonering plangebied

In het voorliggende bestemmingsplan wordt niet voorzien in bedrijfsbestemmingen. In de omgeving van het plangebied liggen de volgende bedrijven:

Naam   Adres  
Restaurant Zandhoeve   Eerbeekseweg 19 Brummen  
Tuincentrum Laag-Soeren BV   Eerbeekseweg 17 Brummen  
NH Kerk   Eerbeekseweg 3 Laag Soeren  
BR-Xpress   Harderwijkerweg 19 Laag Soeren  
OBS 't Schaddeveld   Harderwijkerweg 25 Laag Soeren  
Ons Dorpshuis   Harderwijkerweg 25 Laag Soeren  
Sportvereniging SCS   Harderwijkerweg 27 Laag Soeren  
VOF de Harmonie   Harderwijkerweg 35 Laag Soeren  
Nieuwland Keuken- en Meubelmakerij   Harderwijkerweg 44 Laag Soeren  
Dutch Star Arabiens (paardenhouderij)   Van Zwietenlaan 6 Laag Soeren  
W. Westhuis (paardenhouderij)   Van Zwietenlaan 15 Laag Soeren  
Trafostation   Van Zwietenlaan 2 Laag Soeren  

Bij de planontwikkeling is rekening gehouden met de milieucontouren van de bovenstaande bedrijven. Daarbij is voor de bepaling van het omgevingstype voor de woningen die liggen aan de oostzijde van de Harderwijkerweg uitgegaan van woongebied. De woningen rondom het 'pleintje' liggen in gemengd gebied. De bovenstaande bedrijven worden derhalve niet belemmerd door de woningen die door dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. De paardenhouderij aan de Van Zwietenlaan 15 was daarbij de bepalende factor. De inrichting aan de Van Zwietenlaan 15 valt thans onder het activiteitenbesluit. Gemeten vanaf de stal worden er binnen 100 meter geen nieuwe woningen geprojecteerd. In het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met deze afstand en de overige contouren door de bedrijven.

4.4 Luchtkwaliteit

Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Bij bepaalde nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse.

De luchtkwaliteitsnormen in de Nederlandse wetgeving zijn gebaseerd op de Europese luchtkwaliteitseisen. Sinds 11 juni 2008 geldt de richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (Pb EG L 152). Vooruitlopend op deze nieuwe Europese richtlijn is op 15 november 2007 reeds de zogenoemde Wet luchtkwaliteit van kracht geworden, officieel titel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet luchtkwaliteit bevat de Europese luchtkwaliteitseisen en de basisverplichtingen op grond van de richtlijn, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen (meten en berekenen) van de luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. De uitvoeringsregels die behoren bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen.

Gelijktijdig met de Wet luchtkwaliteit is in 2007 ook de Algemene Maatregel van Bestuur Niet in betekende mate (Besluit NIBM) in werking getreden. In het Besluit NIBM en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip niet in betekende mate.

Met het ingaan van het NSL gelden er per 1 augustus 2009 nieuwe grenzen voor wat niet in betekende mate is: het begrip is nu gedefinieerd als 3% en minder van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In de praktijk zal daarom voor de nieuwbouw tot ongeveer 1.500 woningen geen onderzoek meer nodig zijn.

Dit bestemmingsplan voorziet in de bouw van maximaal zestig woningen. Verder onderzoek naar het effect van dit plan op de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.

4.5 Externe veiligheid

Beoordelingskader

Externe veiligheid gaat over het beperken van de blootstelling van mensen aan een verhoogd gevaar als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen. De aan de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen verbonden risico's moeten volgens het beleid externe veiligheid aanvaarbaar blijven. De wet- en regelgeving voor externe veiligheid is dan ook gestoeld op een risicobenadering.


Het gaat in de eerste plaats om de kans op een groep dodelijke slachtoffers door een ongeval met een gevaarlijke stof, ofwel het groepsrisico. Dit risico drukt de kans uit op een ramp van bepaalde omvang in doden. In de tweede plaats gaat het over de persoonlijke veiligheid van de individuele burger, ofwel het plaatsgebonden risico. Dit is de overlijdenskans die een persoon loopt, door op een bepaalde afstand van een inrichting of een transportroute permanent aanwezig te zijn.


Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden.

Het groepsrisico (GR) is een maat om de kans weer te geven dat een incident met een bepaald aantal dodelijke slachtoffers voorkomt. Tevens wordt het groepsrisico beschouwd als maat voor de maatschappelijke ontwrichting welke kan ontstaan ten gevolge van een incident

Voor transportassen zijn de regels vastgelegd in de 'Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Crnvgs)', voor buisleidingen in het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB)' en voor bedrijven in het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI)'. Alle drie de besluiten hanteren dezelfde risicobenadering. Voor het plaatsgebonden risico geldt een grens- en een richtwaarde. De beoordeling van het groepsrisico vindt niet plaats door toetsing aan een vaste norm maar door middel van het afleggen van een verantwoording. Het bevoegd gezag beoordeelt hierbij de aanvaardbaarheid van het groepsrisico in het omgevingsbesluit.

Planbeoordeling

In de omgeving van het plan vinden activiteiten met gevaarlijke stoffen plaats.

Met het voorliggend bestemmingsplan wordt de realisatie van 60 woningen mogelijk gemaakt.

In de nabijheid van het plangebied liggen de volgende relevante risicobronnen:

    • 1. Kanaalweg, provinciale weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen mogelijk is;
    • 2. Een aardgastransportleiding. Onderstaand worden de bovenstaande risicobronnen nader beschouwd.

Kwantitatieve beoordeling Kanaalweg:

Over de provinciale weg (Kanaalweg/Dierenseweg) vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen paragraaf 5.2.3, hoeven er geen beperkingen aan het ruimtegebruik te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. De te realiseren woningen in het plangebied liggen op meer dan 200 meter van de provinciale weg. Voor deze ontwikkeling is het aspect externe veiligheid in kwantitatief opzicht dan ook niet relevant.

Aardgastransportleiding:

Voor ruimtelijke plannen in de omgeving van leidingen met een externe veiligheidscontour is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van dit besluit dienen plannen te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (GR). In de omgeving van het plangebied is een planologisch relevante leiding gelegen. In onderstaande tabel zijn de bijbehorende relevante gegevens weergegeven:

Soort leiding
 
Diameter
(mm)

 
Druk (bar)
 
Afstand PR10-6 contour (m)
 
Afstand invloeds-
gebied GR (m)  
Belemmeringen-strook (m)  
Aardgas-
transportleiding  
159   40   0   70   4  

In opdracht van de gemeente Rheden is door de Omgevingsdienst Regio Arnhem (ODRA) het onderzoek “Carolaberekening gasleiding 'Nimmer Dor' (Laag Soeren)” van 23 april 2013 met rapportnummer ODRA 13004EV uitgevoerd (zie bijlage 9 bij deze toelichting). Dit onderzoek is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de leiding geen PR 10-6 contour heeft. Het plaatsgebonden risico levert dus geen knelpunt op voor het plangebied. Het groepsrisico van de leiding ligt onder de oriëntatiewaarde en neemt niet toe.

Kwalitatieve beoordeling

Bij transport van gevaarlijke stoffenis een BLEVE het worstcase scenario en een plasbrand een reëel scenario. Als afstanden voor de 1%-letaalcontour worden voor een BLEVE en plasbrand respectievelijk 300 en 60 meter gehanteerd. Het scenario voor een aardgasleiding is een fakkelbrand. Voor deze buisleiding geldt een effectafstand van 70 meter. Het plangebied ligt (deels) binnen de effectafstanden. Overigens doet dit niets af aan de afstanden welke in het kader van de kwantitatieve beoordeling als norm moeten worden aangehouden (zie hierboven).

Op grond van besluit externe veiligheid buisleidingen moeten voor ruimtelijke plannen een verantwoording groepsrisico worden afgelegd. In een aantal situaties kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In dit geval kan er ook worden volstaan met een beperkte verantwoording groepsrisico, omdat de hoogte van het groepsrisico onder de 0,1 keer de oriëntatiewaarde bevindt. Onderstaand wordt dan ook ingegaan op de verantwoording groepsrisico. Hiervoor is advies aan 'Veiligheids Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM)'. Op 8 juli 2013 heeft de gemeente het advies ontvangen.

Verantwoording van het groepsrisico

Personendichtheid

Ten aanzien van het GR is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd. Uit deze analyse blijkt dat ten gevolge van beoogde ontwikkeling het groepsrisico toeneemt met circa 144 personen. In de omgeving van het plangebied zijn geen nieuwe ruimtelijke plannen voorzien waardoor het aantal aanwezigen in de nabijheid van dit plangebied veel groter worden.

Zelfredzaamheid

Ten aanzien van het aspect zelfredzaamheid kan worden opgemerkt dat er binnen het invloedsgebied geen groepen voorkomen die als verminderd zelfredzaam kunnen worden aangemerkt. Het ligt daarom in de verwachting dat de in het plangebied aanwezige personen mits tijdig gewaarschuwd in staat zijn om zichzelf zelfstandig in veiligheid te brengen.

Bestrijdbaarheid

In de regel zal de bestrijding bij een dreigende BLEVE bestaan uit het blussen van de brand die de LPG tankwagen aanstraalt en het koelen van de aangestraalde tankwagen. Bij een plasbrand zal de inzet zich richten op het met schuim blussen van de plasbrand.

Een fakkelbrand is door de brandweer niet te bestrijden. De gastoevoer zal door de Gasunie op afstand gestopt moeten worden. De inzet van de brandweer zal zich richten op het redden van slachtoffers en het koelen van aangestraalde objecten om brandoverslag te voorkomen.

Langs de Kanaalweg kan het water uit het kanaal ingezet worden voor de bestrijding van een incident op de provinciale weg. In de nabijheid van het plangebied is slechts beperkt bluswater beschikbaar.

Toetsing aan de oriënterende waarde

Het groepsrisico is lager dan 0,1 keer de oriënterende waarde. Het realiseren van de 60 woningen heeft geen invloed op de hoogte van het groepsrisico ten opzichte van de oriënterende waarde.

Conclusie

Het bestemmingsplan voldoet aan de grenswaarde voor het PR. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied voor het GR van een aardgastransportleiding. Ook ligt het binnen de effectafstand van een route voor gevaarlijke stoffen. Het GR is verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol:

  • er is geen toename van het GR ten opzichte van de oriënterende waarde;
  • de goede mogelijkheden binnen het plangebied voor de zelfredzaamheid van personen
  • Desalniettemin resteert er een restrisico. Dit risico wordt als acceptabel bevonden.

4.6 Verkeer

Ontsluitingen

De wegenstructuur binnen het plangebied wordt op twee locaties aangesloten op de bestaande infrastructuur. De primaire ontsluiting van het verkeer vindt plaats op de Harderwijkerweg via de bestaande (voormalige) managetoegang ter hoogte van het Sprengenhus. Daarnaast wordt een ontsluiting gerealiseerd op de Van Zwietenlaan. De Van Zwietenlaan komt vervolgens weer uit op de Harderwijkerweg. De Harderwijkerweg heeft de functie van gebiedsontsluitingsweg met een huidige weekdag gemiddelde van minder dan 6000 motorvoertuigen. De ritproductie als gevolg van het bouwplan bedraagt circa 300 motorvoertuigen per etmaal. De beide aansluitingen op de bestaande infrastructuur kunnen de geschatte verkeerintensiteit van de te realiseren wegen verwerken.


De te verwachte toename van de verkeersintensiteit op de Harderwijkerweg blijft ruim binnen de maximaal toegestane intensiteiten die de richtlijnen van Duurzaam Veilig toestaan voor gebiedsontsluitingswegen.


Parkeren

Minimaal voldaan moet worden aan de normen van de Bouwverordening met betrekking tot de aanwezigheid van voldoende parkeergelegenheid op onderhavige locatie. Daarbij wordt gestreefd naar 1,6 parkeerplaats per woning; hierover zijn nadere privaatrechtelijke afspraken gemaakt. Er zal aan de parkeernorm worden voldaan door parkeerplaatsen op het eigen terrein van de woningen en parkeerplaatsen in het openbaar gebied te realiseren. Met het voldoen aan de parkeernormen ontstaat geen parkeeroverlast op de bestaande omliggende wegen.


Inrichting wegprofielen

De woonwijk wordt ingericht als een 30 km-zone. Door het wegprofiel een beperkte breedte te geven in combinatie met snelheidsremmende voorzieningen zal de verkeersveiligheid binnen het plangebied voldoende gewaarborgd zijn.

4.7 Water

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en waterlast voorkomen worden. Ook kan de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Het is daarom noodzakelijk dat gebiedseigen water zo lang mogelijk in het gebied zelf blijft. Dit gebeurt door middel van het afkoppelen van het schone hemelwater.

Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. Ook in deze wet is afstemming van ruimtelijke ontwikkelingen en water voor ruimtelijke plannen opgenomen.

Het Buro Hoogstraat, gevestigd te Olst, heeft een watertoets uitgevoerd voor de ontwikkelingen in de locatie Nimmer Dor (projectcode GRD00111, d.d. 18 januari 2012). Voor dit onderzoek wordt verwezen naar bijlage 10 bij deze toelichting).

In de onderstaande tabel wordt aangegeven welke waterthema's voor het betreffende (zuidelijke) gedeelte van het bestemmingsplan relevant zijn.

Thema   Toetsvraag   Relevant  
Hoofdthema's      
Veiligheid   1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale waterkering?
2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?  
1. Nee

2. Nee  
Riolering en afvalwaterketen   1. Is er toename van het afvalwater (DWA)?







2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
1. Ja, in een gedeelte van het plangebied worden een zestigtal woningen gebouwd. Overig plangebied blijft het huidige gebruik gehandhaafd.

2. Nee

3. Nee  
Wateroverlast (oppervlaktewater)   1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak?
2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?  
1. Ja

2. Ja

3. Ja  
Grondwateroverlast   1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of IJssel?
3. Is in het plangebied sprake van kwel?
4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren?  
1. Ja

2. Nee

3. Mogelijk

4. Nee  
Oppervlaktewaterkwaliteit   1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?










3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied?  
1. Ja

2. Ja, Op circa 200 meter ten zuiden van het plangebied stroomt de Soerense beek. De voorgestelde inrichting van het plangebied heeft geen negatieve gevolgen voor de ecologische waarden van deze beek.
3. Nee  
Grondwaterkwaliteit   Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?   Nee  
Volksgezondheid   1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde of verbeterde gescheiden stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënsiche of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
1. Ja


2. Nee  
Verdroging   Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur?   Nee  
Natte Natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur?  
1. Nee

2. Nee  
Inrichting en Beheer   1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
1. Ja

2. Nee  
Aandachtsthema's      
Recreatie   Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee  
Cultuurhistorie   Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee  

Opgemerkt wordt dat bij nieuwbouw het bergen van hemelwater op eigen terrein dient plaats te vinden, tenzij dit niet mogelijk blijkt te zijn. Het hemelwater afkomstig van verharde oppervlakten zal in de bodem worden opgevangen. Het hemelwater afkomstig van verharde oppervlakten in het openbaar gebied wordt bij voorkeur bovengronds afgevoerd en geïnfiltreerd in wadi's in het openbaar groen. De bovenlaag van de bodem in het plangebied is matig waterdoorlatend, terwijl de ondergrond goed tot zeer goed doorlatend is. Door toepassing van profielverbetering kan een goede doorlatendheid van de bodem worden gerealiseerd. Voor de locatie van de wadi's komen de openbaar groengebieden binnen de ontsluitingsring en langs de Prof. Talmaweg in aanmerking. Beide groengebieden zijn afzonderlijk en gezamenlijk groot genoeg om de gevraagde bergingscapaciteit te kunnen realiseren binnen de grenzen van het plan. Daarnaast komen de plantsoenen langs de rijbanen in aanmerking voor de aanleg van een wadi.

De lozing van het hemelwater vindt plaats op een watergang die uitkomt op de Soerense beek. De Soerense beek is een HEN-water waarvoor geldt dat een watervergunning dient (en zal) worden aangevraagd voor lozing. De lozing van hemelwater mag niet leiden tot een dusdanige toename van de stroomsnelheid in de Soerense beek dat die de ecologie in de beek kan schaden.  Boven de norm van 36 mm die in het algemeen geldt voor lozingen van hemelwater dient er rekening gehouden te worden met extra maatregelen om een toename van stroomsnelheden in de beek te beperken. In de openbare ruimte is zoals hierboven aangegeven echter meer dan voldoende ruimte om wadi's /infitratievelden met een bergingscpaciteit van minimaal 36 mm aan te leggen. Daarbij kan tevens rekening worden houden met de particuliere bouwpercelen; overloop als de infilteratie/bergingscapaciteit bereikt is of zelfs afspraken maken om een gedeelte van de benodigde capaciteit op de openbare voorzieningen op te vangen.

Daarnaast is van belang, dat de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) 30 tot 50 cm onder het maaiveld is gelegen. Bij een wegaanleg ter hoogte van het huidige maaiveld (+10 cm) en een peil van +20 cm boven de weg, betekent dit dat de GHG tussen de 60 en 90 cm ligt. In het algemeen wordt echter een ontwateringsdiepte van 100 cm (t.o.v. van de GHG) geadviseerd voor gebouwen (bovenkant vloer, met kruipruimte). Dit betekent dat in hte plangebied kruipruimteloos gebouwd zal moeten worden. Er hoeft dan geen sprake te zijn van een geforceerde ontwateringsdiepte.

Verder is er mogelijk sprake is van kwel. Uit het bodemonderzoek blijkt dat er op gemiddeld 2,5 meter onder maaiveld kleilagen aanwezig zijn in het plangebied. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden moet worden voorkomen dat deze kleilagen worden doorbroken om de eventueel aanwezige kwelstromen niet te verstoren. Verder is er mogelijk sprake van kwel als gevolg van de beken ten zuiden van het plangebied. Wanneer de kleilagen in het plangebied worden doorgebroken komt eventueel kwelwater aan de oppervlakte of ontstaan er nieuwe kwelstromen (waardoor de beken 'leeglopen'). Gezien de bodemopbouw (dik zandpakket) is heien voor de bouw van de woningen niet noodzakelijk. De riolering wordt niet dieper dan 2,00 meter onder maaiveld aangelegd. Hierdoor worden de kleilagen niet doorgebroken en vormt het kwel geen probleem voor de realisatie van het plangebied.

Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering vormt voor de realisatie van de woonwijk Nimmer Dor.

In het noordelijk deel van het plangebied (woningen aan de prof. Talmaweg en aan de Harderwijkerweg) is sprake van een andere situatie. Derhalve is hiervoor een afzonderlijke tabel met relevante waterthema's opgesteld. Onderstaand is deze tabel weergegeven:

Thema   Toetsvraag   Relevant  
Hoofdthema's      
Veiligheid   1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale waterkering?
2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?  
1. Nee

2. Nee  
Riolering en afvalwaterketen   1. Is er toename van het afvalwater (DWA)?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
1.Nee

2. Nee

3. Nee  
Wateroverlast (oppervlaktewater)   1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak?
2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?  
1. nee

2. n.v.t.

3. nee  
Grondwateroverlast   1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of IJssel?
3. Is in het plangebied sprake van kwel?
4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren?  
1. Ja

2. Nee

3. Mogelijk

4. Nee  
Oppervlaktewaterkwaliteit   1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?










3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied?  
1. Ja

2. Nee
`










3. Nee  
Grondwaterkwaliteit   Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?   Nee  
Volksgezondheid   1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde of verbeterde gescheiden stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënsiche of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
1.  Nee


2. Nee  
Verdroging   Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur?   Nee  
Natte Natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur?  
1. Nee

2. Nee  
Inrichting en Beheer   1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
1. Ja

2. Nee  
Aandachtsthema's      
Recreatie   Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee  
Cultuurhistorie   Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee  

Ook voor het noordelijk deel van het plangebied geldt, dat het bergen van hemelwater in beginsel op eigen terrein dient plaats te vinden. Het hemelwater afkomstig van verharde oppervlakten zal ook hier in de bodem worden opgevangen. De bovenlaag van de bodem in dit deel van het plangebied is eveneens matig waterdoorlatend, met een goed tot zeer goed doorlatende ondergrond is. Door toepassing van profielverbetering kan ook hier een goede doorlatendheid van de bodem worden gerealiseerd.

Ten aanzien van de mogelijke aanwezigheid van kwel wordt verwezen naar hetgeen hierover eerder in deze paragraaf is opgenomen.

4.8 Wonen

Volgens recente prognoses van het Planbureau voor de Leefomgeving en CBS (PEARL 2011 via http://www.regionalebevolkingsprognose.nl) daalt het aantal inwoners van de gemeente Rheden van ca. 43.900 inwoners in 2012 naar ca. 43.200 in 2025. Daarna laat het inwoneraantal weer een stijging zien tot ca. 44.100 in 2040. Voor de woningmarkt en behoefte aan nieuwbouwwoningen is echter vooral de ontwikkeling van het aantal huishoudens relevant. Op dat gebied laat de eerder genoemde prognose een stijging zien van ca. 20.300 huishoudens in 2012 tot ca. 21.100 huishoudens in 2040. De verwachte groei van het aantal huishoudens ligt in lijn met het woningbouwprogramma van de gemeente, waarvan Nimmer Dor en de kleinere (particuliere) initiatieven onderdeel uitmaken. Laag-Soeren ligt echter in een open woningmarkt. Daarom is ook gekeken naar de prognoses van buurgemeenten. De voor Laag-Soeren meest relevante gemeente, de gemeente Brummen, laat eenzelfde beeld zien met een verwachte groei van het aantal huishoudens met enkele honderden.

Naast het accommoderen van een deel van de toekomstige huishoudensgroei kan met het voorliggende plan ook de autonome uitbreidingsbehoefte van het dorp worden ingevuld, die in het verleden is ontstaan. Terwijl het gemiddeld aantal personen dat deel uitmaakte van een particulier huishouden in de afgelopen jaren gestaag daalde, is van enige nieuwbouw in Laag-Soeren namelijk nauwelijks sprake geweest. Behoudens duurdere woningen voor een specifieke, welvarende doelgroep in het oude badhuis Soeria zijn er in de periode 2005 tot en met 2012 slechts 7 nieuwbouwwoningen in het dorp gerealiseerd.

De plancapaciteit van het voorliggende plan past bij de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen uit de gemeentelijke woonvisie, het huidige provinciale beleid en de regionale woningbouwafspraken. In haar woonvisie 'Wonen met toekomst' (mei 2009) zet de gemeente in op een nieuwbouwproductie van gemiddeld 60 tot 80 woningen per jaar, vooral om daarmee invulling te geven aan de lokale woningbehoefte. In het woningbouwprogramma van de gemeente staan voor de periode 2010 – 2020 ca. 700 woningen in de planning, inclusief de voorliggende nieuwbouwontwikkeling in Laag-Soeren. Het driedelige beleidskader 'Keuzevrijheid & Identiteit' van de provincie Gelderland (januari 2010) beschrijft de uitgangspunten van het provinciale woonbeleid, analyses van de Gelderse regio's en regionale afspraken met gemeenten. Onderdeel van het drieluik is het Kwalitatief WoonProgramma (KWP) dat onder andere de programmatische opgave voor de Stadsregio Arnhem Nijmegen beschrijft, inclusief afspraken om in de periode tot 2020 circa 26.000 woningen te bouwen om daarmee te voldoen aan de regionale woningbehoefte. De woningen in het voorliggende bestemmingsplan zijn opgenomen in de kwalitatieve planningslijst woningbouw en het KWP van de provincie Gelderland.

Daarnaast blijkt uit een eerdere specifiek voor dit project uitgevoerde behoeftepeiling (zie Bijlage 16 Behoeftepeiling Nimmer Dor Laag Soeren, gemeente Rheden, december 2010 bij deze toelichting) van provinciale, regionale, lokale beleidsanalyses en onderzoeken, gesprekken met een viertal makelaars en woningcorporatie Sprengenland Wonen dat de plancapaciteit voldoet aan een behoefte vanuit de markt en afzetbaar is. Deze behoeftepeiling is als bijlage toegevoegd. Omdat de kwantitatieve behoefte (aantal woningen, latent aanwezig) slechts langzaam en over langere tijd verandert, is de peiling nog steeds bruikbaar. Om ook optimaal in te kunnen spelen op de kwalitatieve vraag (soort woningen, effectieve marktvraag) die sneller kan veranderen, is een bepaalde mate van flexibiliteit in het programma en bestemmingsplan ingebouwd. Voor een deel van de woningen kan gekozen worden tussen vrijstaande dan wel halfvrijstaande bouw. Daarnaast kan een beperkt deel van de rijenwoningen worden omgezet naar vrijstaande dan wel half vrijstaande woningen. Dit kan echter uitsluitend na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid en onder strikte voorwaarden, zoals genoemd in de regels. In de uitvoering kan op deze manier tot op zekere hoogte op de actuele marktvraag worden ingespeeld, waarbij het totale aantal woningen niet boven het maximum komt.

De economische crisis en situatie waarin de woningmarkt zich bevindt, raakt veel mensen en heeft zijn weerslag op het verhuisgedrag en de verhuisplannen van huishoudens (effectieve vraag). Het is voorstelbaar dat er een uitgestelde vraag optreedt wanneer het vertrouwen herstelt. Uit het Woononderzoek Nederland 2012 van het CBS en ministerie van BZK blijkt namelijk dat de verhuiswens groter is dan ooit: in vergelijking met 2009 is het aantal mensen dat binnen twee jaar wil verhuizen toegenomen met 14 procent. Hoewel het feitelijke aantal verhuizingen sinds 2009 is afgenomen, zeggen dus meer mensen te willen verhuizen. Het fundament voor een opleving is aanwezig: door de crisis en omstandigheden op de woningmarkt stellen mensen hun verhuisplannen niet af, maar uit.

Minimaal 30% van de woningen in het projectgebied Nimmer Dor wordt gerealiseerd onder de € 172.000,- v.o.n. of krijgt een huurprijs tot +/- € 681,- per maand (prijspeil januari 2013). Met deze differentiatie wordt voorzien in de behoefte aan woningen in de betaalbare sector (koop en/of huur) en aan nieuwbouwwoningen in de middeldure en dure sector (70%). Het realiseren van (middel)dure woningen bevordert tevens de doorstroming vanuit bestaande huur- of goedkopere koopwoningen in Laag-Soeren. De woonvisie noemt verder de vergrijzing in de kleine kernen als punt van aandacht. Voor een groot deel zal de oplossing hiervoor in de bestaande woningvoorraad moeten worden gevonden, maar bij de ontwikkeling van Nimmer Dor wordt ook ingezet op woningen die mede geschikt zijn voor senioren. Het plangebied, met 't Sprengenhus in de buurt, is hiervoor een geschikte locatie.

Uit de behoeftepeiling (2010) blijkt dat er in Laag-Soeren behoefte is aan betaalbare woningbouw, vooral voor starters en senioren. Daarnaast is er behoefte aan twee-onder-één-kap-woningen in het middensegment en duurdere, vrije kavels. Naast inwoners van Laag-Soeren wordt de behoefte gevormd door woningzoekenden uit de directe omgeving en oud-inwoners die terug willen verhuizen. Meerdere makelaars geven aan dat woningzoekenden in het verleden soms naar andere dorpen zijn verhuisd, omdat er voor hen in Laag-Soeren geen geschikt aanbod was. De ontwikkeling van het plangebied heeft dan ook een positieve impuls op het dorp en kan bijdragen aan de leefbaarheid en instandhouding van verenigingsleven en voorzieningen, zoals de basisschool en 't Sprengenhus.

Bij de voorbereiding voor dit bestemmingsplan is opnieuw gekeken naar de behoeftepeiling uit 2010 en zijn aanvullende gesprekken gevoerd, onder meer met woningcorporatie Sprengenland Wonen. Hieruit blijkt dat er nog steeds voldoende vraag is naar sociale huurwoningen in Laag-Soeren, onder andere voor senioren. De markt is er volgens Sprengenland. De mogelijkheden voor realisatie hangen mede af van de investeringscapaciteit in de corporatiesector. Daarnaast laat kwalitatief onderzoek al jarenlang een grote vraag zien naar het woonmilieu landelijk wonen, ook in de Stadsregio (zie de behoeftepeiling uit 2010). Op verzoek van Reinbouw B.V. hebben twee makelaars in het voorjaar van 2013 opnieuw ingezoomd op het plangebied. Zij concluderen andermaal dat er behoefte is aan deze nieuwbouwwoningen in Laag-Soeren. De opzet van het plangebied in combinatie met de bosrijke omgeving is aantrekkelijk voor huidige en oud-inwoners van Laag-Soeren en mensen van buitenaf die op zoek zijn naar een nieuwbouwwoning.

Om tegemoet te komen aan de marktvraag wordt een gevarieerd woningaanbod gerealiseerd dat geschikt is voor verschillende doelgroepen. De bebouwing varieert van vrijstaande woningen tot twee-onder-één-kap-woningen en rijwoningen. Door de uitvoering te faseren, wordt aansluiting gezocht bij de sociale structuur en leefbaarheid van Laag-Soeren. Daarnaast ligt het ook gezien de huidige marktomstandigheden niet voor de hand om de totale plancapaciteit in één keer op de markt te brengen. Het streven is het plan in beginsel in twee fases op de markt te brengen en te bouwen. Hierbij wordt het uitgangspunt gehanteerd dat in iedere fase een gedifferentieerd programma wordt gerealiseerd. Per fase zal een in stedenbouwkundig opzicht afgerond geheel worden gerealiseerd.

4.9 Toets aan Ladder voor duurzame verstedelijking

Ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening dient een ontwikkeling te worden getoetst aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'.

De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen:

1. Is er een regionale behoefte?

2. Is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied?

3.Zoek een locatie die multimodaal ontsloten is of kan worden voor de resterende regionale behoefte.

De stappen bewerkstelligen dat de wens om een nieuwe ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ruimtevraag, beschikbare ruimte en ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt.

Trede 1: bepalen regionale vraag naar ruimte

In trede 1 wordt de regionale ruimtevraag voor stedelijke ontwikkelingen, waaronder wonen, bepaald. De kwantitatieve vraag blijkt onder meer uit recente bevolkings- en huishoudensprognoses van het Planbureau voor de Leefomgeving en CBS (PEARL 2011 via http://www.regionalebevolkingsprognose.nl/), maar ook uit de verstedelijkingsafspraken tussen het Rijk en de Stadsregio Arnhem Nijmegen om in de periode tot 2020 circa 26.000 woningen te bouwen.

Om ontwikkelingen op de regionale woningmarkt inzichtelijk te maken, heeft de provincie Gelderland het driedelige beleidskader 'Keuzevrijheid & Identiteit' opgesteld. Hierin staan de uitgangspunten van het woonbeleid, analyses van de Gelderse regio's en regionale afspraken met gemeenten. Onderdeel van het drieluik is het Kwalitatief WoonProgramma (KWP) dat onder andere de programmatische opgave voor de Stadsregio Arnhem Nijmegen beschrijft, inclusief afspraken om in de periode tot 2020 circa 26.000 woningen te bouwen om daarmee te voldoen aan de regionale woningbehoefte. De woningen in het voorliggende bestemmingsplan zijn opgenomen in de kwalitatieve planningslijst woningbouw en het KWP van de provincie Gelderland. De ladder voor duurzame verstedelijking kijkt bij wonen niet alleen naar de kwantitatieve vraag, maar ook naar de kwalitatieve vraag. In de kwalitatieve benadering staan de kwaliteiten van de woonomgeving centraal, die kunnen worden vertaald naar woonmilieus. Uit het WoON 2009 voor de Stadsregio Arnhem Nijmegen blijkt een regionale kwalitatieve vraag naar woningen in het woonmilieu landelijk wonen.

In de handreiking bij de ladder voor duurzame verstedelijking wordt onder de regionale vraag ook verwezen naar de lokale behoefte. Begin juni 2013 stonden er in Laag-Soeren 17 woningen te koop, waarvan 10 aan de Badhuislaan voor een specifieke, welvarende doelgroep in het oude badhuis Soeria. Oftewel een relatief klein aantal op een totaal van circa 230 koopwoningen. Verder blijkt uit een opgave van woningcorporatie Sprengenland Wonen dat er slechts sporadisch sociale huurwoningen vrijkomen in het dorp, soms maar één of enkele woningen per jaar. Naast het accommoderen van een deel van de toekomstige huishoudensgroei kan met het voorliggende plan ook de autonome uitbreidingsbehoefte worden ingevuld, die is ontstaan als gevolg van huishoudensverdunning en doordat er in de laatste jaren nauwelijks nieuwbouwwoningen in het dorp zijn gerealiseerd.

Uit een door de gemeente uitgevoerde behoeftepeiling van provinciale, regionale, lokale beleidsanalyses en onderzoeken, gesprekken met een viertal makelaars en woningcorporatie Sprengenland Wonen blijkt dat de plancapaciteit van dit bestemmingsplan voldoet aan een behoefte vanuit de markt en afzetbaar is. Voor een verdere onderbouwing op dit punt wordt verwezen naar paragraaf 4.8.

Kortom, met de regionale en lokale ruimtevraag in beeld voorziet de voorgenomen ontwikkeling in een actuele behoefte en komt trede 2 van de ladder in beeld.

Trede 2: bouwen binnen bestaand stedelijk gebied

Trede 2 motiveert of de beoogde ontwikkeling plaats kan vinden binnen bestaand stedelijk gebied door op lege plekken de ruimte in te vullen, een andere bestemming te geven aan een gebied, door herstructurering van bestaande terreinen of door transformatie van bestaande gebouwen of gebieden. De definitie van bestaand stedelijk gebied in het Bro is als volgt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

De ladder gaat ervan uit dat invulling van ruimtebehoefte in het algemeen het beste op het niveau van de regio kan worden afgewogen. In de uitvoering van de Bestuursovereenkomst Verstedelijking & Mobiliteit subregio Arnhem Noord maart 2012 (http://www.destadsregio.nl/projecten/bovs) is daarom met de andere gemeenten en provincie Gelderland gesproken over het woningbouwprogramma van de gemeente Rheden en de geplande bouwopgave in Laag-Soeren. In deze gesprekken is geconcludeerd dat de opgave past bij de regionale behoefte en niet concurreert met andere woningbouwprojecten in de subregio.

Zoals aangegeven bij trede 1 komt de woningbehoefte ook voort uit een lokale behoefte. In deze ruimtevraag kan elders in de regio niet worden voorzien. Woningzoekenden uit Laag-Soeren die een volgende stap in hun wooncarrière willen zetten en in het dorp willen blijven wonen, hebben daartoe nu onvoldoende mogelijkheden. In de behoeftepeiling (zie paragraaf 4.8) geven regionaal actieve makelaars aan dat woningzoekenden in het verleden soms noodgedwongen naar andere dorpen zijn verhuisd, omdat er voor hen in Laag-Soeren geen geschikt aanbod was. De beoogde ontwikkeling is dan ook van groot belang voor de leefbaarheid en vitaliteit van het dorp. Niet alleen om woonruimte in het eigen dorp te kunnen bieden aan woningzoekenden die er graag willen blijven wonen. Maar ook om het draagvlak voor het verenigingsleven en de aanwezige voorzieningen te behouden, waaronder de basisschool en andere sociaal-maatschappelijke functies in het nabijgelegen dorpshuis 't Sprengenhus.

Binnen het bestaand stedelijk gebied is gezocht naar geschikte locaties van voldoende omvang en met vergelijkbare gebiedskwaliteiten. Hieruit is gebleken dat er binnen de bebouwde kom van Laag-Soeren of in haar nabije omgeving geen andere potentiële ontwikkelingslocaties zijn waar in de behoefte kan worden voorzien. Binnen de bebouwde kom is er simpelweg onvoldoende vrije ruimte voor een ontwikkeling van deze omvang. Locaties verder van de dorpskern, bijvoorbeeld in de omgeving van Dieren Noord, komen onvoldoende tegemoet aan de lokale woningbehoefte en gewenste impuls voor de leefbaarheid. Daarom is gezocht naar geschikte locaties aan de rand van Laag-Soeren. Op de meeste van deze locaties is woningbouw echter niet mogelijk dan wel ongewenst. Laag-Soeren wordt namelijk omringd door waardevol landschap, aan de noordzijde van het dorp is een bosgebied gelegen en aan de west- en zuidzijde van het dorp is er sprake van een beschermd dorpsgezicht.

Het voorliggende plangebied ligt net buiten het bestaande stedelijk gebied, maar geldt als afronding van de dorpskom en is de enige geschikte locatie van deze omvang binnen de woningbouwcontouren van het Regionaal Plan Stadsregio Arnhem Nijmegen 2005 - 2020. Omdat de ruimtevraag niet volledig kan worden opgevangen binnen bestaand stedelijk gebied volgens de definitie in het Bro, is trede 3 aan de orde.

Trede 3: bouwen buiten bestaand stedelijk gebied

In trede 3 gaat het om het opvangen van de ruimtevraag buiten het bestaand stedelijk gebied en wel op een zodanige locatie dat deze door meerdere vervoerswijzen ontsloten is of kan worden. De wijze van ontsluiting is zodanig vormgegeven dat deze past bij de schaal en omvang van de ontwikkeling. Voor een ontwikkeling met wonen is in dat opzicht vooral het personenvervoer van belang: auto, openbaar vervoer, brommer en scooter. Maar mede door de opkomst van de elektrische fiets krijgt ook de fiets op regionale schaal steeds meer betekenis.

Door een beoogde ontwikkeling te verbinden met een gebiedstype kan op basis van de Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (oktober 2012) de gewenste ontsluitingsvorm worden bepaald. Het voorliggende plan is als gebiedstype te typeren tussen dorps en landelijk wonen. De gewenste collectieve vervoerstypen voor dit soort gebieden zijn bus en taxi, gewenste individuele vervoerstypen zijn de (elektrische) fiets, scooter/brommer en een auto-ontsluiting op een regionaal wegennet. De beoogde ontwikkeling in dit bestemmingsplan wordt in dat opzicht passend ontsloten. Het gebied ligt op loopafstand van een bushalte (Lijn 43 - Arnhem/Apeldoorn) en de overige vervoerstypen worden ontsloten via de N786 (Harderwijkerweg).

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorliggende bestemmingsplan aansluit bij de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.10 Duurzaamheid

De gemeente Rheden heeft in april 2013 Het Groene Akkoord ondertekend en zich daarmee verbonden aan het volgende uitgangspunt:

Wij realiseren een duurzame ontwikkeling van de gebouwde omgeving in de Stadsregio Arnhem Nijmegen. Het gaat er om geleidelijk aan meer duurzame woningen, kantoren en andersoortige utiliteitsbouw in onze regio te realiseren, waarbij we sturen op meer dan energiebesparing of duurzame energie. We gaan ook voor minder milieubelastende materialen, een hoog comfort en een betere gebruikskwaliteit. We kijken bij deze ontwikkeling niet alleen naar de nieuwbouw maar nog meer naar de renovatie en verbouw van bestaande gebouwen en woningen. Verder richten we ons niet alleen op een beter aanbod, ook de vraag en het gebruik van de consument en gebouwgebruiker worden nadrukkelijk hierin betrokken.

Naar aanleiding van het Groene Akkoord wordt gebruikt gemaakt van één taal voor duurzaam bouwen, te weten GPR. De komende periode wil de gemeente Rheden ervaring opdoen met werken met GPR door het toe te passen in projecten. Gemeente Rheden nodigt Reinbouw uit om GPR toe te passen in project Nimmer Dor.

De gemeente Rheden wil op termijn een CO2-neutrale gemeente worden. In 2011 heeft de gemeenteraad de nota 'Rheden op weg naar CO2-neutraliteit' vastgesteld. Voor verschillende sectoren heeft de gemeente streefbeelden neergezet. Het energiezuiniger maken van woningen vraagt een investering die meer dan goed wordt gemaakt door de lagere energielasten. Zonne-energie speelt een belangrijke rol bij opwekking van elektriciteit.

Op dit moment hanteert de gemeente voor nieuw te bouwen woningen een 10% scherpere EPC (energieprestatiecoëfficiënt) dan wettelijk. Uit onderzoek (Energieadvies Nimmer Dor van Evert Vrins Energieadvies, 15 september 2011) blijkt dat het bouwen van woningen met een 10% scherpere EPC voor Nimmer Dor door verschillende maatregelenpakketten mogelijk is.

4.11 Cultuurhistorie

De locatie waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft, ligt niet in het rijksbeschermd dorpsgezicht Laag-Soeren. Voor wat betreft de bovengrondse cultuurhistorische aspecten kan worden vermeld, dat het een van oudsher agrarisch gebied betreft dat aan de randen enkele boerderijen kende. Deze randen zijn vanaf de jaren 60 verder verdicht. Bijzonderheden zijn in dit gebied niet aan de orde. Ervan uitgaande dat uitbreiding noodzakelijk is om het dorp leefbaar te houden dient er een afweging gemaakt moet worden tussen open landschap en bebouwing. Daarbij is de keuze voor Nimmerdor achter dit bebouwingslint logisch en te prefereren boven uitbreiding langs de zuidwestelijke zijde van het dorp waar het open karakter onderdeel uitmaakt van het rijksbeschermde gezicht.

Echter niet alleen het bovengronds zichtbare kan een waarde vertegenwoordigen. Ook het behoud en de kennis van archeologische waarden vertegenwoordigt een waarde. De bescherming van deze waarden is per 1 september 2007 wettelijk verankerd in de Monumentenwet 1988. Gemeenten moeten zorg dragen dat in de bestemmingsplannen het belang van de archeologische monumentenzorg wordt meegewogen. De gemeenteraad heeft in 2008 de archeologienota Uitgediept vastgesteld. Hierin wordt een aantal beleidsvoornemens ten aanzien van archeologie verwoord. Archeologie wordt op grond van deze nota voortaan beschermd via de bestemmingsplannen. Bij het vervaardigen van bestemmingsplannen wordt derhalve vooronderzoek gedaan indien de verwachting luidt dat archeologische waardevolle zaken aanwezig kunnen zijn. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek kan worden besloten om verdergaand onderzoek te eisen.

In casu is er een tweetla onderzoeken verricht.

Allereerst is onderzoek gedaan naar de locatie Nimmer Dor. Dit onderzoek is verricht door Synthegra Archeologie d.d. 8 juli 2011 (zie Bijlage 2 Archeologisch onderzoek Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Nimmer Dor te Laag Soeren, Synthegra bv, 8 juli 2011) voor dat gedeelte van het plangebied waarop gebouwd gaat worden en waarbij de grond geroerd gaat worden. Er was geen specifieke archeologische verwachting opgesteld. Globaal genomen zegt het onderzoek dat in het gebied een kans bestaat op vindplaatsen vanaf het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd.

Tijdens het onderzoek zijn geen archeologische resten of indicatoren aangetroffen. De bodem is reeds grotendeels verstoord. Op grond van de resultaten heeft het bureau dan ook geadviseerd dat geen vervolgonderzoek nodig is. Het onderzoek is opgenomen in de bijlage behorende bij deze toelichting.

Een en ander laat onverlet dat mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd zijn beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. Of een vondst van archeologische resten uiteindelijk moet leiden tot behoud van deze resten of een opgraving wordt door de regioarcheoloog bepaald aan de hand van de in de archeologienota uitgewerkte selectiemethode.

Verder is onderzoek verricht ter plaatse van de drie separate woningbouwlocaties aan de Harderwijkerweg-prof. Talmaweg (zie Bijlage 3 Archeologisch onderzoek plangebied Harderwijkerweg te Laag Soeren, RAAP Archeologisch Adviesbureau, 21 juni 2013). Ter plekke was sprake van een hoge archeologische verwachting. Echter het veldonderzoek bevestigt deze verwachting niet, Dit wordt veroorzaakt door het gegeven dat de bodem ter plekke tot onder de archeologische laag verstoord is gebleken. Er bestaat daarom geen aanleiding om op deze locaties rekening te houden met (zwaarwegende) archeologische belangen. Archeologisch vervolgonderzoek wordt daarom niet aanbevolen. Mochten bij de uitvoering van de werkzaamheden desondanks toch archeologische resten worden gevonden, dan geldt daarvoor een meldingsplicht bij de minister van OCW c.q. bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (artt. 53 en 54 Monumentenwet 1988).

4.12 Natuur

4.12.1 Gebiedsbescherming

Ecologische Hoofdstructuur

Veel natuurgebieden en voor planten en dieren waardevolle cultuurlandschappen

maken onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De Ecologische

Hoofdstructuur bestaat uit natuurgebieden, verwevingsgebieden en ecologische

verbindingszones. Ecologische verbindingszones zorgen er voor dat er uitwisseling

plaats kan vinden van dieren, maar ook planten tussen verschillende natuurgebieden.

De verwevingsgebieden zijn waardevol voor de natuur maar hebben daarnaast tevens

een andere functie. Veel kleinschalige cultuurlandschappen met landschapselementen

zijn aangewezen als verwevingsgebied. De ecologische hoofdstructuur wordt

beschermd doordat bij ruimtelijke ontwikkelingen getoetst wordt aan de door de provincie in een streekplanuitwerking vastgestelde Kernkwaliteiten en omgevingscondities van de Ecologische Hoofdstructuur.

Het plangebied ligt niet in de Ecologische Hoofdstructuur. Het gebied ten zuiden van

de Van Zwietenlaan is begrensd als EHS natuur. In dit gebied wordt de Soerense

Poort ontwikkeld. Door Arcadis zijn de effecten van de ontwikkeling van Nimmer Dor op

de Soerense Poort onderzocht (Bestemmingsplan Nimmer Dor, Gevolgen voor

gebiedsbescherming, Arcadis, 8 december 2006). Effecten van geluid, licht of

veranderende grondwaterstromen worden niet verwacht. Het functioneren van de

Soerense Poort zal dan ook niet negatief beïnvloed worden door de realisatie van

Nimmer Dor.

Natura 2000

Op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn speciale

beschermingszones aangewezen. Samen vormen zij Natura 2000, een Europees

netwerk van beschermde natuurgebieden dat vergelijkbaar is met de Ecologische

Hoofdstructuur in Nederland. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is

geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998. De Veluwe is aangewezen als Natura

2000-gebied. Binnen dit gebied mag de kwaliteit van de natuurlijke habitats en

leefgebieden van aangewezen soorten niet verslechteren en mogen er geen storende

factoren optreden die een significant negatief effect hebben. Dit geldt niet alleen voor

de activiteiten en ingrepen in het gebied zelf, maar ook voor activiteiten en ingrepen

daar buiten die invloed kunnen hebben op het gebied.

Op ca. 150 meter van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Veluwe. Daarom is de vraag aan de orde geweest of de voorgenomen ontwikkeling invloed kan hebben op de instandhoudingsdoelen van de Veluwe. De mogelijke effecten van de realisatie van het plan zijn onderzocht door Arcadis en beschreven in het rapport “Bestemmingsplan Nimmer Dor, Gevolgen voor gebiedsbescherming van 8 december 2006”. Als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe bewoners zullen enkele tientallen extra bezoeken worden gebracht aan het Natura 2000-gebied Veluwe. Het betreft met name mensen die dagelijks hun hond uitlaten.

Voor de realisatie van de woningen is een vergunning op grond van de

Natuurbeschermingswet 1998 aangevraagd. Op 10 januari 2007 is door de provincie

Gelderland deze vergunning verleend. De vergunning is geldig tot het moment waarop

het plan is voltooid. De provincie constateert in het besluit op de vergunningaanvraag

dat gezien de afstand van het plangebied tot de Veluwe effecten van bouwrijp maken

en bouwen evenals geluids- en lichtoverlast kunnen worden uitgesloten. Op regionaal

niveau neemt de verstoringsdruk toe met 0,3%. Deze toename is niet substantieel.

Mogelijk negatieve effecten als gevolg van de relatieve toename van gebiedsbezoek in

de Veluwe door de toekomstige bewoners zijn niet significant.

De vergunning is ondertussen onherroepelijk en heeft betrekking op een plan voor de

bouw van maximaal 122 woningen. Het voorgenomen plan is begrensd op maximaal

67 woningen. Ook is het te bebouwen gebied ingeperkt waardoor de afstand van de

woningen tot het Natura 2000-gebied is toegenomen. Het geactualiseerde voornemen

past hiermee ruim binnen de verleende vergunning op grond van de

Natuurbeschermingswet 1998. Er is geen nieuwe vergunning nodig en de conclusies

die in het kader van de eerdere vergunningverlening zijn getrokken zijn zondermeer

op dit kleinere plan van toepassing.

4.12.2 Soortenbescherming

Wettelijk kader

De soortbescherming is geregeld in de Flora- en faunawet. Bij nieuwe ontwikkelingen

moet onderzocht worden welke gevolgen dit heeft voor de aanwezige beschermde

soorten en/of hun leefomgeving. Als een plan (in)direct kan leiden tot de verstoring of

vernietiging van bepaalde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project

strijdig zijn met de Flora- en faunawet. De Flora- en faunawet kent drie verschillende

beschermingsregimes:

  • voor de algemene soorten behoeft op grond van een algemene vrijstelling bij bestendig gebruik en beheer of bij ruimtelijke ingrepen geen ontheffing aangevraagd te worden;
  • voor een aantal licht beschermde soorten geldt dat de activiteiten uitgevoerd moeten worden op basis van een gedragscode of een ontheffing die de minister van Economische Zaken heeft goedgekeurd of verleend waarbij getoetst wordt of de ingreep geen afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van de soort;
  • voor strikt beschermde soorten is een ontheffing nodig van de minister van EZ indien bijvoorbeeld bij een ruimtelijke ingreep één van de verbodsbepalingen wordt overtreden; voor deze soorten geldt een uitgebreide toetsing.

Onderzoek beschermde soorten

In de afgelopen jaren zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar het voorkomen van

beschermde planten en dieren in het plangebied. De resultaten zijn beschreven in recente onderzoeksrapporten: “Effecten op beschermde soorten Nimmer Dor, Laag-Soeren”, Bureau Waardenburg, 5 juli 2013” (locatie Nimmer Dor), “Quick scan beschermde natuur Talmaweg Laag-Soeren, Natuurbalans – Limes divergens, 24 mei 2013 (locatie Prof. Talmaweg naast 1a), “Quick scan flora en fauna garagelocatie Harderwijkerweg en Prof. Talmaweg 5-7 te Laag-Soeren”, Laneco, 5 juli 2013 (locatie Harderwijkerweg 56-58 en Prof. Talmaweg 5-7). Nader onderzoek vleermuis, giezwaluw en huismus (pm).

Per deellocatie wordt ingegaan op de uitkomsten van de onderzoeken.

1 Nimmer Dor

Voor de locatie Nimmer Dor zijn de onderzoeksresultaten opgenomen in het rapport “Effecten op beschermde soorten Nimmer Dor, Laag-Soeren” van Bureau Waardenburg d.d. 5 juli 2013”.

1a Flora

Tijdens het veldonderzoek zijn exemplaren van lange ereprijs, gewone vogelmelk en het grasklokje aangetroffen. De lange ereprijs komt voor aan de rand van het te bebouwen zuidelijke deel. De gewone vogelmelk komt voor in de greppel/berm van de Prof. Talmaweg. Het grasklokje komt alleen voor in het noordelijke deel waar geen ingreep plaatsvindt.

De gewone vogelmelk en het grasklokje zijn algemeen voorkomend. Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor verstoring van de groeiplaats bij ruimtelijke ontwikkelingen. De lange ereprijs is een overige beschermde soort (zogenaamde tabel 2-soort). Hiervoor geldt dat indien de groeiplaats wordt aangetast er een ontheffing moet worden aangevraagd en mitigerende maatregelen moeten worden getroffen (uitsteken en verplaatsen/planten naar geschikt habitat in de directe omgeving). Naar verwachting zal de groeiplaats worden aangetast. Er wordt van uit gegaan dat een ontheffing kan worden verkregen. Overige strikt beschermde planten zijn niet waargenomen en worden gelet op het gebruik van het terrein ook niet verwacht.

1b Fauna

De aanwezigheid van beschermde ongewervelden in het plangebied wordt uitgesloten.

Door het ontbreken van open water wordt de aanwezigheid van vis en strikt beschermde soorten als kamsalamander en poelkikker (amfibieën) eveneens uitgesloten.

Algemene soorten als bastaardkikker en gewone pad zouden incidenteel (tuinvijvers) kunnen voorkomen. Voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Het plangebied vormt geen geschikt habitat voor reptielen.

Wat betreft zoogdieren mag gelet op de terreinkenmerken worden verwacht dat soorten als mol, konijn, egel, bosmuis, veldmuis, huisspitsmuis en verschillende soorten kleine marterachtigen van het plangebied gebruik maken. Voor deze soorten geldt een algehele vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Op de locaties zijn geen dassenburchten aanwezig. Omdat in de omgeving wel dassen voorkomen zou het terrein incidenteel bezocht kunnen worden door een foeragerende das. Het betreft echter geen optimaal foerageergebied. Het gebied is dan ook niet essentieel voor de instandhouding van de populatie.

Ook de boommarter en steenmarter zouden het gebied incidenteel kunnen bezoeken op zoek naar voedsel. Het plangebied vervult echter geen functionele betekenis voor deze soorten.

Er zijn geen verblijfplaatsen van de eekhoorn aangetroffen, waaruit geconcludeerd kan worden dat het plangebied voor deze soort van geen functionele betekenis is.

In 2006 zijn foeragerende exemplaren van gewone dwergvleermuis en rosse vleermuis binnen het plangebied aangetroffen. In het plangebied Nimmer Dor zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig noch zijn effecten op potentiële verblijfplaatsen nabij het plangebied aan de orde. Met het realiseren van de woonwijk blijft foerageergebied voor handen, hetzij in het plangebied, hetzij in de directe omgeving van het plangebied.

In het plangebied en de directe omgeving komt een groot aantal broedvogels voor. Onder andere de aanwezigheid van de merel, huismus, fitis, tjiftjaf, ekster, pimpelmees, houtduif, appelvink en boerenzwaluw, steenuil, ransuil en bosuil is vastgesteld.

De nesten van de huismus, ransuil en steenuil zijn het gehele jaar beschermd. Van de overige soorten zijn de nesten beschermd gedurende de broedperiode. Effecten op deze vogelsoorten kunnen worden voorkomen door buiten het broedseizoen te starten met werkzaamheden.

De ransuil broedt nabij de Den Texweg op een afstand van ca. 550 m van het plangebied. Deze soort heeft een groot foerageergebied en is niet afhankelijk van de percelen direct grenzend aan de broedlocatie.

Steenuil

In 2008 is vastgesteld dat rond het plangebied 3 paar steenuilen broedden. Omdat duidelijk was dat door het bebouwen van een deel van het plangebied essentieel foerageergebied voor 1 paar steenuilen verloren zou gaan, zijn compensatiemaatregelen getroffen ter plaatse van en in de omgeving van het perceel Den Texweg 4. Het ging om het plaatsen van 2 nestkasten en het realiseren van erfbeplanting en een ruigtestrook. Naar het oordeel van het ministerie van EZ (voorheen LNV) was hiermee voldaan aan de verplichtingen uit de Flora- en faunawet en was een ontheffing niet noodzakelijk. Het ministerie heeft derhalve naar aanleiding van een aanvraag om ontheffing destijds een zogenaamde een positieve afwijzing afgegeven. Inmiddels heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitgesproken dat de aanvraag ontheffing niet had mogen worden afgedaan met een positieve afwijzing. De Afdeling geeft in haar uitspraak aan dat de gemeente Rheden desgewenst zelf opnieuw een aanvraag tot ontheffing kan indienen. De staatssecretaris zal bij het beslissen op die aanvraag aan de hand van de daarin voorgestelde maatregelen en de feitelijke omstandigheden zoals die op dat moment zijn, opnieuw moeten toetsen of een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en, zo ja, of deze kan worden verleend (ABRvS, 13 februari 2013, nr. 201107056/1/A3).

Uit steenuileninventarisaties in 2010, 2011 en 2013 is gebleken dat zich in de directe omgeving van het plangebied nog 2 territoria van steenuilen bevinden. Nabij de Den Texweg is eveneens een territorium van de steenuil vastgesteld.

Sinds begin 2011 wordt de begroeiing op het zuidelijke deel van het plangebied waar de woningbouw zal plaatsvinden verwijderd, om te voorkomen dat dit deel leef-/foerageergebied wordt voor beschermde flora en fauna. Zoals werd aangenomen heeft het onttrekken van dit deel van het plangebied aan het foerageergebied van de steenuil niet geleid tot een vermindering van het aantal broedende steenuilpaartjes. Derhalve wordt aangenomen dat de woonwijk Nimmer Dor geen verstoring van de vaste rust- en verblijfplaats van de steenuil met zich mee brengt. Een ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk.

Soortmanagementplan

Hoewel niet geheel noodzakelijk is de gemeente Rheden bereid het leefgebied van de steenuil in en om Laag-Soeren op te waarderen. In overleg met de Steenuilenwerkgroep van IVN en de Gelderse Natuur- en Milieufederatie wordt gewerkt aan een soortmanagementplan voor de steenuil in de omgeving van Laag-Soeren. In dit plan wordt vastgelegd welke maatregelen kunnen worden genomen om de kwaliteit van het leefgebied van de steenuil in de omgeving op te waarderen. Eén van de maatregelen betreft het beter inrichten en beheren van het noordelijke deel van het plangebied. Deze maatregel wordt door de gemeente als noodzakelijk gezien. Het noordelijk deel dreigt namelijk voor de steenuil te verslechteren. Met de Beschrijving habitat Steenuil (Bron: Soortenstandaard steenuil, Dienst Regelingen, Ministerie van Economische Zaken, 2012)) als basis is er voor het noordelijke deel een landschapsplan gemaakt. Het gebied wordt onder andere ingericht als weiland met hagen en houtwallen zodat een optimaal foerageergebied ontstaat voor de steenuil. Het landschapsplan is opgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Hiermee staat vast hoe het gebied moet worden ingericht. Daarnaast zijn er om de inrichting en het beheer van het gebied te borgen, beheerovereenkomsten gesloten met de eigenaren.

Ontheffingsaanvraag

Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de gemeente ervoor gekozen opnieuw een ontheffing aan te vragen. Inmiddels is uit recent onderzoek van Bureau Waardenburg gebleken dat er geen ontheffing noodzakelijk is. Aangezien de aanvraag om ontheffing reeds in behandeling is en gelet op de conclusie uit de rapportage van Bureau Waardenburg, wordt het besluit van de minister afgewacht. Echter, gelet op de conclusie van Bureau Waardenburg, staat voor de gemeente vast dat de Flora- en faunawet de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

2 Locatie Harderwijkerweg 54-58

Voor de locatie Harderwijkerweg 54-58 zijn de onderzoeksresultaten opgenomen in het rapport “Quick scan flora en fauna garagelocatie Harderwijkerweg en Prof. Talmaweg 5-7 te Laag-Soeren”.

2a Flora

De aanwezigheid van strikt beschermde flora op de locatie is uitgesloten.

2b Fauna

De aanwezigheid van beschermde ongewervelden in het plangebied wordt uitgesloten.

Door het ontbreken van open water wordt de aanwezigheid van vis en strikt beschermde soorten als kamsalamander en poelkikker (amfibieën) eveneens uitgesloten.

Algemene soorten als bastaardkikker en gewone pad zouden incidenteel (tuinvijvers) kunnen voorkomen. Voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Het plangebied vormt geen geschikt habitat voor reptielen.

Wat betreft zoogdieren mag gelet op de terreinkenmerken worden verwacht dat soorten als mol, konijn, egel, bosmuis, veldmuis, huisspitsmuis en verschillende soorten kleine marterachtigen van het plangebied gebruik maken. Voor deze soorten geldt een algehele vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Op de locatie is geen dassenburcht aanwezig. Omdat in de omgeving wel dassen voorkomen zou het terrein incidenteel bezocht kunnen worden door een foeragerende das. Het betreft echter geen optimaal foerageergebied. Het gebied is dan ook niet essentieel voor de instandhouding van de populatie.

Ook de boommarter en steenmarter zouden het gebied incidenteel kunnen bezoeken op zoek naar voedsel. Het gebied vervult echter geen functionele betekenis voor deze soorten.

Er zijn geen verblijfplaatsen van de eekhoorn aangetroffen, waaruit geconcludeerd kan worden dat het gebied voor deze soort van geen functionele betekenis is.

Het is niet uitgesloten dat met name de gewone dwergvleermuis en/of laatvlieger verblijft in de bebouwing van het voormalige garagebedrijf aan de Harderwijkerweg. Naar het voorkomen van vleermuizen op deze locatie is aanvullend onderzoek verricht (pm). Indien blijkt dat de bebouwing gebruikt wordt als vaste rust- of verblijfplaats voor vleermuizen worden alternatieve verblijfplaatsen gerealiseerd (pm).

Mogelijk wordt de te slopen woning aan de Harderwijkerweg ook door de huismus en/of gierzwaluwen gebruikt als broedlocatie. Hier is aanvullend onderzoek naar verricht. Indien zich in de te slopen gebouwen nesten bevinden dient de sloop buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd en zal er alternatieve nestgelegenheid worden gerealiseerd.

Steenuil

De jaarrond beschermde steenuil kan op de locatie foerageren en zal dit na realisatie van de beoogde bebouwing ook kunnen. Het aandeel verhard en bebouwd oppervlak neemt namelijk af. De steenuil foerageert ook in tuinen (gazons).

3 Locatie Prof. Talmaweg 5-7

Voor de locatie Prof. Talmaweg 5-7 zijn de onderzoeksresultaten opgenomen in het rapport “Quick scan flora en fauna garagelocatie Harderwijkerweg en Prof. Talmaweg 5-7 te Laag-Soeren” van Laneco d.d. 5 juli 2013.

3a Flora

De aanwezigheid van strikt beschermde flora op de locatie is uitgesloten.

3b Fauna

De aanwezigheid van beschermde ongewervelden in het plangebied wordt uitgesloten.

Door het ontbreken van open water wordt de aanwezigheid van vis en strikt beschermde soorten als kamsalamander en poelkikker (amfibieën) eveneens uitgesloten.

Algemene soorten als bastaardkikker en gewone pad zouden incidenteel (tuinvijvers) kunnen voorkomen. Voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Het plangebied vormt geen geschikt habitat voor reptielen.

Wat betreft zoogdieren mag gelet op de terreinkenmerken worden verwacht dat soorten als mol, konijn, egel, bosmuis, veldmuis, huisspitsmuis en verschillende soorten kleine marterachtigen van het plangebied gebruik maken. Voor deze soorten geldt een algehele vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Op de locaties is geen dassenburcht aanwezig. Omdat in de omgeving wel dassen voorkomen zou het terrein incidenteel bezocht kunnen worden door een foeragerende das. Het betreft echter geen optimaal foerageergebied. Het gebied is dan ook niet essentieel voor de instandhouding van de populatie.

Ook de boommarter en steenmarter zouden het gebied incidenteel kunnen bezoeken op zoek naar voedsel. Het gebied vervult echter geen functionele betekenis voor deze soorten.

Er zijn geen verblijfplaatsen van eekhoorn aangetroffen, waaruit geconcludeerd kan worden dat het gebied voor deze soort van geen functionele betekenis is.

Huismus broedt mogelijk in de te slopen panden aan de Prof. Talmaweg 7. In een nader onderzoek wordt vastgesteld of dit inderdaad het geval is (pm). Indien zich in de te slopen gebouwen nesten bevinden dient de sloop buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd en zal alternatieve nestgelegenheid worden gerealiseerd.

Steenuil

De jaarrond beschermde steenuil kan op de locatie foerageren en zal dit na realisatie van de beoogde bebouwing ook kunnen. Het aandeel bebouwd oppervlak neemt namelijk af. De steenuil foerageert ook in tuinen (gazons).

4 Locatie Prof. Talmaweg naast 1a

Voor de locatie Prof. Talmaweg naast 1a zijn de onderzoeksresultaten opgenomen in het rapport

“Quick scan beschermde natuur Talmaweg Laag-Soeren” van Natuurbalans – Limes divergens d.d. 24 mei 2013.

4a Flora

Op de ingreeplocatie is het voorkomen van streng beschermde plantensoorten uitgesloten.

4b Fauna

Op basis van het ontbreken van geschikte (potentiële) verblijfplaatsen en essentiële

foerageergebieden, zijn effecten op vast rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen uitgesloten. De ingreeplocatie heeft geen functie voor strikt beschermde soorten grondgebonden zoogdieren. Het voorkomen van grondgebonden zoogdieren is beperkt tot algemene soorten als (spits)muizen, mol en konijn. Onder voorwaarde dat verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van aanwezige vogelsoorten, worden verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet ten aanzien van vogels niet overtreden. Binnen de planlocatie zijn geen geschikte biotopen aanwezig voor reptielen. Op de ingreeplocatie en direct grenzend hieraan zijn geen water(gang)en aanwezig. De ingreeplocaties wordt hooguit gebruikt als landhabitat door zeer lage aantallen van algemene soorten zoals bruine kikker en gewone pad. Het voorkomen van streng beschermde amfibieënsoorten, zoals kamsalamander en poelkikker kan worden uitgesloten. Op de ingreeplocatie zijn geen water(gang)en aanwezig. Het voorkomen van streng beschermde vissoorten kan daarmee worden uitgesloten. Ook dagvlinders, libellen of overige ongewervelden die een juridisch zwaardere bescherming genieten, komen niet voor op de ingreeplocatie.

Steenuil

De ingreeplocatie maakt onderdeel uit van het leefgebied van enkele streng beschermde soorten, te weten steenuil en diverse soorten vleermuizen, maar betreft geen vaste rust- en verblijfplaats of essentieel foerageergebied. Overtreding van de Flora- en faunawet is dan ook niet aan de orde. Door het leveren van een bijdrage aan het treffen van mitigerende maatregelen in het noordelijke deel (landschapsplan)wordt bewerkstelligd dat per saldo voor de steenuil een beter foerageergebied ontstaat. De functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaatsen is dan ook voor geen van de genoemde soorten in het geding. Een ontheffing van de Flora- en faunawet is voor de uitvoering van de voorgenomen ingreep niet noodzakelijk.

De verrichte onderzoeken zijn als bijlagen bij deze toelichting gevoegd (Bijlage 4 Bestemmingsplan Nimmerd Dor gevolgen voor gebiedsbescherming, Arcadis, 8 december 2006, Bijlage 5 Effecten op beschermde soorten Nimmer Dor, Laag Soeren, Bureau Waardenburg, 19 juli 2013, Bijlage 6 Quick scan flora en fauna garagelocatie Harderwijkerweg en Prof. Talmaweg 5-7 te Laag Soeren, , Laneco, 5 juli 2013, Bijlage 7 Quick scan beschermde natuur Talmaweg Laag-Soeren, Natuurbalans-Limes Divergens, 24 mei 2013, Bijlage 8 Notitie inventarisatie steenuilen Laag Soeren, bureau Waardenburg, 12 juni 2013).

4.12.3 Conclusie gebiedsbescherming en soortenbescherming

Uit de paragrafen 4.12.1 en 4.12.2 kan worden geconcludeerd, dat vanuit natuur wet- en regelgeving geen belemmeringen bestaan voor de haalbaarheiden uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.12.4 Groen

In het gemeentelijk Groenstructuurplan (2002) en de Beleidsnota Bomen (2005)
is leidraad dat de groene kenmerken en kararteristieken in de dorpen en deelgebieden worden versterkt. Langs de Harderwijkerweg zijn verspreid staande bomen gewenst, waarbij de huidige particuliere bomen een belangrijke rol spelen. In de overige straten staan kleinblijvende sierbomen, afgestemd op de beschikbare ruimte.

In het plangebied dient rekening te worden gehouden met beeldbepalende bomen in het noordelijk deel van het plangebied en de houtsingel die door het plangebied loopt. De structuur van de haag en de halverharde weg aan de noordzijde wordt in het plan behouden.

4.13 Landschap

Het plangebied ligt in het deelgebied Veluweflank van het Waardevol landschap Zuidelijke IJsselvallei. De Oost-Veluwe en IJsselvallei vormen samen een unieke landschappelijke gradiënt. Deze gradiënt gaat van het hoge, grootschalige en besloten landschap van het Veluwemassief via een kleinschalig coulissenlandschap en een rij van nederzettingen naar het geheel open komkleigebied van de IJssel. De rand van het besloten boslandschap van de Veluwe biedt plaats aan oude landgoederen met hier en daar lange laanstructuren tot op de Veluwe. Het boslandschap gaat over in een reliëfrijk, kleinschalig en gradiëntrijk landschap met landbouw en sprengenbeken. De beken en sprengen zijn sturend geweest voor de occupatie van het gebied. Het is een afwisselend landschap met grote recreatieve waarde.

In de streekplanuitwerking “Kernkwaliteiten Waardevolle Landschappen” zijn voor dit deelgebied de volgende kernkwaliteiten benoemd:

  • 1. Overgang van stuwwal met besloten boslandschap via halfopen dekzandlandschap naar open rivierenlandschap IJssel

  • 2. Kleinschalig mozaïeklandschap met grote afwisseling van relatief open tot besloten landschap en hiermee samenhangend een grote afwisseling van talrijke landgoederen, grondgebonden landbouw (met name weidebouw) bos en beken die van de flank afstromen.

  • 3. Blokverkaveling maar ook grote afwisseling in perceelvormen

  • 4. Bebouwingspatroon in de vorm van dorpen langs de rand van het Veluwemassief en op de oeverwal verspreid vele buurtschappen.

  • 5. Het Apeldoorns kanaal vormt een markant en cultuurhistorisch element in het landschap.

Het plangebied is niet gelegen binnen de EHS en maakt geen onderdeel uit van een Waardevol Open Gebied. Dit betekent dat op grond van de streekplanuitwerking ontwikkelingen mogelijk zijn mits de kernkwaliteiten worden behouden en versterkt.

De kernkwaliteiten zijn in het Landschapsontwikkelingsplan van de gemeente Rheden nader uitgewerkt.

De landschappelijke kwaliteiten van Laag-Soeren bestaan in hoofdzaak uit het open weide gebied, begrensd door bossen. Prachtige zichtlijnen geven een overzicht van de enclave. Bijzondere bebouwing op bijzondere locaties, de sprengbeek en de lanen maken de cultuurhistorische waarden zichtbaar. De landbouw en de ecologie zijn de belangrijkste functies en bieden de basis voor het fraaie landschapsbeeld.

De geplande woonwijk ligt min of meer verscholen achter de lintbebouwing van de Harderwijkerweg en Van Zwietenlaan binnen de bebouwde kom van Laag-Soeren. De woningen aan de Professor Talmaweg en de Harderwijkerweg passen in de bestaande bebouwingslinten. Voor het noordelijk deel van het plangebied is een landschapsplan opgesteld. De bestaande houtwal zal worden versterkt. Het gebied zal worden ingericht als weiland met meidoornhagen op de perceelsgrenzen. Daarnaast worden aan de randen een aantal solitaire eiken geplant. Het landschapsplan wordt verankerd in de regels van dit bestemmingsplan waarmee de inrichting en het beheer is verzekerd. Het landschapsplan maakt deel uit van de planregels. Voor de overzichtelijkheid is het ook als bijalge aan deze toelichting toegevoegd (zie Bijlage 17 Landschapsplan).

Door de uitvoering van het bestemmingsplan worden de kernkwaliteiten van het Waardevolle Landschap zoals uitgewerkt in het gemeentelijk Landschapsontwikkelingsplan niet aangetast.

Hoofdstuk 5 Procedurele en juridische aspecten

5.1 Procedure

De tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken en het ontwerpbesluit moet worden gepubliceerd waarbij de gelegenheid wordt geboden om zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad. Nadat de gemeenteraad een besluit over de vaststelling van dit bestemmingsplan heeft genomen, ligt het plan wederom ter inzage. Belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend, evenals belanghebbenden die niet kunnen worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend, kunnen dan in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


De herziening treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als geen beroep is ingesteld.


Is wel beroep ingesteld dan treedt de herziening ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling op het beroepschrift.


Crisis- en herstelwet

Sinds 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet van kracht. De wet zorgt voor kortere procedures, waardoor bouwprojecten, in deze economische tijden, sneller kunnen worden uitgevoerd. De voorgestelde wet ziet onder andere op woningbouwprojecten van ten minste 20 woningen, met een maximum van afhankelijk van het geval, 1.500 dan wel 2.000 nieuwbouwwoningen. Op onderhavig bestemmingsplan is derhalve de Crisis- en herstelwet van toepassing.

5.2 Bestemmingsplan

Een bestemmingsplan is een juridisch instrument en bestaat uit een verbeelding en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De kaart en regels leggen de bouw- en gebruiksmogelijkheden vast van de grond en de opstallen. Zij zijn juridisch bindend voor de burger en de overheid. In de digitale omgeving zijn de bestemming en daarbij geldende regels reeds gekoppeld. Uit het samenstel van de verbeelding en de regels blijkt wat wordt toegelaten. De digitale versie is bindend bij een verschil met de papieren versie.


De toelichting is een beschrijving van de keuzes die in het bestemmingsplan zijn gemaakt en bevat de resultaten van het overleg met gemeenten, waterschappen en diensten van de provincie en rijk wiens belangen in het plan in geding zijn.


Per 1 januari 2010 geldt de verplichting dat bestemmingsplannen volgens een landelijke digitale opzet (digitale standaarden) worden opgesteld. De Wro geeft voorts een aantal verplichtingen, dat bij de totstandkoming van dit bestemmingsplan gevolgd moeten worden worden. Daarmee wijkt onderhavig bestemmingsplan in de (benaming) van bestemmingen, gebruikte symbolen en de (opbouw) van regels af van de systematiek zoals die is gehanteerd voor de actualisatie van de bestemmingsplannen. De strekking van hetgeen in het thans voorliggende digitale plan wordt geregeld, sluit wel aan bij de werkwijze die voorheen werd gehanteerd.


5.3 Verbeelding

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemmingen de gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. In onderhavig bestemmingsplan worden de bestemmingen Agrarisch met waarden - landschappelijke en natuurwaarden, Groen, Wonen - 1, Wonen - 2 en Verkeer opgenomen. Ter nadere invulling c.q. verbijzondering van deze bestemmingen is de verbeelding voorzien van aanduidingen. De verbeelding moet worden bezien in samenhang met de regels. Voor de verdere uitleg hiervan wordt verwezen naar onderstaande uitleg onder 5.4

5.4 Regels

De planregels zijn verdeeld over vier hoofdstukken:

1 Inleidende regels
In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels bepaald (artikel 2).


2 Bestemmingsregels
In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook een aanlegvergunningstelsel opgenomen.

De dubbelbestemming Leiding-gas is ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komt achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) vergunningenstelsels voor het verrichten van werken en werkzaamheden opgenomen.
Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld.

Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Denk aan de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingsmogelijkheden. Een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is, zoals het woord het al zegt, een mogelijkheid in het bestemmingsplan zelf om af te wijken van de regels uit datzelfde bestemmingsplan. Dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingsmogelijkheden. Het zijn allemaal belangrijke regels die voor het gehele plan gelden: ze moeten daarom altijd goed gelezen worden vóórdat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht.

Overgangs- en slotregels

In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel).


Voor zover relevant worden de planregels hierna nog artikelsgewijs nader toegelicht.

Begrippen

Voor een goede uitleg van de regels moeten de begripsbepalingen correct worden toegepast. Zij bieden uitsluitsel over de gebruikte termen en zijn doorslaggevend bij de interpretatie van de regels.

Wijze van meten  

Dit artikel geeft aan hoe dient te worden gemeten. Bij het toepassen van de betreffende regels (zoals opgenomen in de algemene aanduidingsregels van dit plan) dient dus te worden gemeten conform de aangegeven meetmethodiek.

Agrarisch met waarden - landschappelijke en natuurwaarden

Binnen deze bestemming is een agrarisch gebruik toegestaan. Daarnaast is sprake van landschappelijke en natuurlijke waarden. Zowel de landschappelijke als de natuurlijke waarden komen tot uitdrukking in de openheid van het gebied.

Om deze waarden in zijn algemeenheid te waarborgen, is een vergunningenstelsel opgenomen voor werken en werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde (onder 3.4).

Verder is de landschappelijke inrichting van deze gronden van belang om de waarden te borgen en te bevorderen. Hiertoe is een landschapsinrichtingsplan opgesteld, dat als bijlage deel uitmaakt van de regels. Hiertoe is allereerst in de specifieke gebruiksregels neergelegd, dat het gebruiken of laten gebruiken in strijd met het landschapsinrichtingsplan niet is toegestaan. Verder is in een vergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden gewaarborgd, dat beplantingen die zijn aangebracht in het kader van het landschapsinrichtingsplan, niet zomaar kunnen worden verwijderd. Omgekeerd geldt ook, dat het aanbrengen van beplantingen hier niet mee in strijd mag zijn.

Wonen - 1

Deze bestemming betreft de geprojecteerde woningen in het zuidelijk deelgebied Nimmer Dor. Onderscheid wordt gemaakt tussen aaneengebouwde, vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen, hetgeen op de verbeelding is weergegeven.

Ten aanzien van de te realiseren woningtypes bestaat enige flexibiliteit, waarmee de feitelijke uitvoerbaarheid van het project wordt bevorderd. Daar waar de beoogde stedenbouwkundige kwaliteit dit toelaat, is een keuzemogelijkheid opgenomen tussen vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen. Dit is rechtens toegestaan. Daarnaast is een tweetal plekken de mogelijkheid is opgenomen om middels een afwijkingsbevoegdheid, toe te passen door burgemeester en wethouders, een ander woningtype toe te staan. Het betreft een afwijking van de vereiste van rijenwoningen naar twee-aaneengebouwde dan wel vrijstaande woningen. Deze specifieke bevoegdheid is opgenomen op in te kunnen spelen op de zich manifesterende woningbehoefte in relatie tot de haalbaarheid van het project. Toepassing van deze bevoegdheid kan alleen mits voldaan wordt aan de aangegeven criteria. Daarbij is van belang, dat de verhouding rijenbouw - vrijstaand/twee-aaneen van 30-70 onaangetast dient te blijven. Ook mag dit niet ten koste gaan van de economische uitvoerbaarheid. De afwijkingsbevoegdheid is bedoeld voor situaties waarin onvoldoende vraag blijkt te bestaan naar rijenwoningen.

De maximale goot- en bouwhoogten worden op de plankaart aangegeven. De woningen dienen te worden afgedekt met een kap met een helling van minimaal 30 °.

De woonbebouwing wordt vastgelegd in bouwvlakken. Binnen het bouwvlak mag de hoofdbebouwing worden gebouwd.

Er is een onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken. De hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, de bijbehorende bouwwerken (en overkappingen) mogen daarnaast ook gebouwd worden op de gronden die met 'bijgebouwen'zijn aangeduid. Van belang is dat het verschil met het hoofdgebouw bestaat uit een bouwkundige/architectonische ondergeschiktheid. Functionele ondergeschiktheid is uitdrukkelijk niet aan de orde. Dit volgt uit de begripsbepaling van 'bijbehorend bouwwerk' zoals neergelegd in artikel 1.14.

Voor de hoofdgebouwen geldt een maximale bouwhoogte en een maximaal aantal bouwlagen, hetgeen op de verbeelding is aangegeven en aansluit op de bestaande situaties.

Voor de bijbehorende bouwwerken geldt een maximale oppervlaktemaat en een maximaal bebouwingspercentage van het bouwperceel. Dit laat onverlet de mogelijkheden voor vergunningsvrije bouwwerken van circa 30 m2.

In aanvulling hierop is een afwijkingsbevoegdheid voor één extra gebouw ten behoeve van het weiden van dieren opgenomen. Deze bevoegdheid kan uitsluitend worden toegepast daar waar de gronden met de aanduiding 'bijgebouwen' direct grenzen aan de bestemming 'agrarisch met waarden - natuur en landschap'. Per zone 'bijgebouwen' kan de afwijkingsbevoegdheid één keer worden toegepast. Ten aanzien van eventueel gedeeld gebruik kunnen de eigenaren onderling afspraken maken. Deze afwijkingsbevoegdheid is opgenomen met het oog op de natuur- en landschapsdoelstellingen van het aangrenzende gebied. Deze zijn sterk gericht op het beheer van het noordelijk plandeel in relatie tot de aanwezigheid van de steenuil.

Het noordelijk deel van het plangebied typeert zich als overgangsgebied (van dorpslint naar landelijk gebied); een óvergangsregeling' voor extra bijgebouwen wordt derhalve ter plekke passend geacht.

Verder is het toegelaten dat een bewoner aan huis een beroep of bedrijf uitoefent. Hiervoor gelden voorwaarden. De aan huis gebonden beroepen zijn krachtens jurisprudentie standaard toegestaan; in de begripsbepalingen is aangegeven om welke beroepen het gaat (artikel 1.10). De bedrijfsactiviteiten aan huis vormen een aanvulling hierop. In de Lijst van toegelaten bedrijfsactiviteiten aan huis - opgenomen als Bijlage 2 Lijst van bedrijfsactiviteiten aan huis bij de regels van dit plan - is na te lezen welke bedrijven dit betreft. Als een beroep niet past binnen de begripsbepaling dan wel een bedrijf niet voorkomt op deze lijst is afwijking eventueel mogelijk mits voldaan wordt aan de aangegeven criteria.

De regeling ten aanzien van erf- en perceelsafscheidingen is afgestemd op de gemeentelijke 'Notitie erf- en perceelsafscheidingen'.


Opgemerkt wordt dat ten aanzien van de vereiste parkeergelegenheid op het bijbehorende terrein, derhalve ook bij de uitoefening van een bedrijf of beroep aan huis, voorwaarden zijn gesteld welke strikter zijn dan de in de bouwverordening opgenomen voorwaarden. Privaatrechtelijk is afgesproken dat per woning 1,6 parkeerplaats aanwezig zal zijn, hetgeen in de planregels is geborgd (artikel 11.2).

Wonen - 2

Deze bestemming betreft de woningen in het noordelijk deelgebied. De verschillen met de bestemming Wonen - 1 betreffen:

- het niet opnemen van een afwijkingsbevoegdheid voor uitwisseling van de woningtypes. Deze is alleen van toepassing voor de woningen in het zuidelijk deelgebied Nimmer Dor. Bij het bepalen van de verhouding 30-70 tellen de woningen binnen de bestemming Wonen - 2 dan ook niet mee;

- het niet van toepassing zijn van het parkeercriterium van 1,6 parkeerplaats per woning (zie artikel 11.2). Deze afspraken betreffen de invulling van het nieuwe woongebied en stekken zich niet uit tot de incidentele en hiervan losstaande ontwikkelingen in het noordelijk plangebied;

- het voorzien in een vangnetregeling voor bestaande situaties. Deze doen zich alleen in dit deel van het gebied voor. Bestaande legale afwijkingen van percentages en oppervlaktes worden gerespecteerd én worden als maximale maat aangemerkt. Bij vervanging kan dus een kleiner percentage/een kleinere oppervlakte worden teruggebouwd, waarbij niettemin het generiek toegestane percentage/de generiek toegestane oppervlakte nog wordt overschreden. Dit om te voorkomen dat voor een groot gebouw geen kleiner gebouw kan worden teruggebouwd. Voor andere maten zoals hoogtematen geldt een striktere regeling. Bij vervanging kan óf de bestaande hoogte worden teruggebouwd óf moet worden voldaan aan de generieke hoogteregeling.

Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting ten aanzien van de bestemming Wonen - 1 zoals hierboven opgenomen.


Groen

Deze bestemming is gegeven aan die gedeeltes in het plangebied die binnen het woonwijkje bedoeld zijn voor de grotere aaneengesloten groenvoorzieningen. Binnen deze bestemming kan groen, maar ook een speelveld worden aangelegd. Paden zijn ook mogelijk. Daarnaast zijn (kleinschalige) ontsluitingswegen mogelijk ten behoeve van de bereikbaarheid vand e gronden met de bestemming 'agrarisch met waarden - natuur en landschap'.

Verkeer

De aan te leggen erfontsluitingsweg is specifiek bestemd. Parkeervoorzieningen en bermen zijn bij deze bestemming inbegrepen.

Leiding - Gas

Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van de aanwezige hogedrukgasleiding en bijbehorende veiligheidszone. De onderliggende bestemmingen blijven van kracht, maar kunnen pas benut worden als het belang van de leiding zich daartegen niet verzet.

Anti-dubbeltelregel

Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze zou zich kunnen voordoen indien een deel van een bouwperceel dat al bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage was betrokken wederom bij een dergelijke berekening, doch nu ten behoeve van een ander bouwperceel wordt betrokken.

Algemene bouwregels

Voor diverse geringe bouwonderdelen geldt, dat deze bij de toets aan de planregels als zodanig buiten beschouwing worden gelaten. Daarnaast is een regeling voor ondergronds bouwen opgenomen. Hoofdregel is, dat hetgeen bovengronds is toegestaan, ook ondergronds kan worden toegestaan. Daarnaast zijn enkele verbijzonderingen opgenomen.

Algemene gebruiksregels

Voor de redactie van dit artikel is de algemene formulering aangehouden. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. In beginsel is de bestemmingsomschrijving van de betreffende bestemming bepalend.

In verband met het schrappen van het bordeelverbod is expliciet opgenomen dat onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening in ieder geval wordt verstaan het (laten) gebruiken van gebouwen ten behoeve van een seksinrichting en ten behoeve van een escortbedrijf. Om discussie te voorkomen is dit expliciet opgenomen. Met deze regeling wordt aangesloten bij het beleid van de gemeente Rheden op dit gebied.

Verder wordt nog voorzien in een regeling ten aanzien van het parkeren en de parkeernormen. Voor Wonen - 1 wordt aangesloten bij de privaatrechtelijke afspraken hieromtrent. Voor Wonen- 2 wordt verwezen naar de algemene normstelling van de bouwverordening.

Algemene afwijkingsregels

Aan burgemeester en wethouders wordt hier de bevoegdheid gegeven om af te wijken van de bestemmingsregels. Van belang is dat het bestaan van de bevoegdheid niet mag leiden tot een automatisme in het afwijken: conform de Algemene wet bestuursrecht moeten burgemeester en wethouders de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen. Overigens is de bevoegdheid beperkt in die zin dat geen omgevingsvergunning voor afwijken mag worden verleend indien onevenredige afbreuk wordt gedaan aan een aantal met name genoemde belangen.

Overige regels

Van belang is, dat bij verwijzing naar wettelijke regelingen uitgegaan wordt van de regelingen zoals deze ten tijde van de vaststelling van toepassing zijn (toetsing ex tunc). Dit conform vigerende jurisprudentie over dit onderwerp.

Overgangsrecht

Bij het overgangsrecht wordt onderscheid gemaakt naar bouwwerken en gebruik.

Bij bouwwerken gaat het er om of ze op de peildatum in enigerlei opzicht afwijken van het plan. Doorgaans betreffen die afwijkingen de bouwregels. Ze mogen gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd of na een calamiteit worden herbouwd, mits de bestaande afwijkingen naar hun aard niet worden vergroot. Bij de vraag of de afwijking wordt vergroot kan ook het gebruik relevant zijn. Van de mogelijkheid tot gedeeltelijke vernieuwing of verandering zijn uitgesloten de illegale bouwwerken. Daaronder worden verstaan de bouwwerken die zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning - voor zover vereist - zijn gebouwd in strijd met het toen geldende bestemmingsplan.

Voor een vergroting van de inhoud van een bouwwerk met niet meer dan 5% kan met een omgevingsvergunning eenmalig worden afgeweken. Peildatum voor bouwwerken is het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.

Ten aanzien van het gebruik is bepaald dat bestaand, met het plan strijdig gebruik mag worden voortgezet. Een uitsluitingsclausule is opgenomen voor gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. Deze regel laat de wrakingsjurisprudentie onverlet.

5.5 Reikwijdte bestemmingsplan

Om te beoordelen of een ontwikkeling kan worden gerealiseerd, is het soms niet voldoende om alleen af te gaan op de inhoud van het bestemmingsplan. Ook indien het bestemmingsplan een ontwikkeling toestaat, kan het voorkomen dat andere regelgeving of dat gesloten verdragen de daadwerkelijke uitvoering verhinderen of pas na bijvoorbeeld vergunningverlening of onderzoek mogelijk maken.


De kaders die het bestemmingsplan biedt ten aanzien van nieuwe bouwmogelijkheden/bouwplaninitiatieven, bieden geen garantie voor de te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen. Bouwplannen zullen naast de toets aan onderhavig bestemmingsplan tevens worden getoetst aan, en dienen te voldoen aan, zowel het landelijke Bouwbesluit als de bouwverordening (vastgesteld door de gemeenteraad). Waarbij de (onafhankelijke) welstandscommissie adviseert of het bouwplan op basis van de Welstandsnota (vastgesteld door de gemeenteraad) voldoet aan redelijke eisen van welstand.

5.6 Relatie met Besluit milieu-effectrapportage

Het voorgenomen bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van maximaal 60 woningen in een aaneengesloten gebied. Een dergelijk bouwproject kan worden gezien als en stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). De omvang van het project ligt ver onder de grens van 2000 woningen, waarbij er sprake is van m.e.r.-

beoordelingsplicht. Op grond van artikel 2 lid 5 van het Besluit milieueffect-

rapportage moet echter wel worden nagegaan of kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Indien dit niet kan worden uitgesloten, is alsnog een nadere beoordeling in het kader van de m.e.r.-beoordelingsplicht nodig.

De toets of er - ondanks het gegeven dat de omvang geringer is dan de drempelwaarde in het Besluit m.e.r. -sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen wordt aangeduid als een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Deze toets kan zonder nadere procedure worden opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan.


De voorliggende paragraaf betreft de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Evenals bij m.e.r.-beoordelingsplicht, moet bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling worden getoetst aan de criteria van Bijlage III van de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling (richtlijn 85/337/EEG). Deze criteria hebben, samengevat, betrekking op:

- de kenmerken van het voornemen (ondermeer omvang, kans op hinder, mogelijke cumulatie met effecten van andere activiteiten);

- de plaats (onder meer ligging ten opzichte van gevoelige gebieden);

- de kenmerken van de effecten, mede gelet op de aard van het voornemen en de plaats.


Criteria

In de voorliggende notitie zijn de criteria in Bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling als uitgangspunt genomen. De hoofdcriteria zijn in het voorgaande reeds genoemd. Hieronder is een volledig overzicht gegeven van de criteria.


1. Kenmerken van de projecten

Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen:

o de omvang van het project;

o de cumulatie met andere projecten;

o het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

o de productie van afvalstoffen;

o verontreiniging en hinder;

o risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.


2. Plaats van de projecten

Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen:

o het bestaande grondgebruik;

o de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied;

o het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden:

a. wetlands,

b. kustgebieden,

c. berg- en bosgebieden

d. reservaten- en natuurparken,

e. gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszonen door de lidstaten aangewezen op grond van de Vogel-en/of habitatrichtlijn,

f. gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden,

g. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid,

h. landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.


3. Kenmerken van het potentiële effect

Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen:

o het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking),

o het grensoverschrijdende karakter van het effect,

o de orde van grootte en de complexiteit van het effect,

o de waarschijnlijkheid van het effect,

o de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

Beoordeling

De voorliggende vormvrije m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op de beschrijving van het plan in hoofdstuk 3 van deze toelichting en de beschrijving van de milieugevolgen in hoofdstuk 4, inclusief de achterliggende rapporten.

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen belangrijke nieuwe ontwikkelingen (bijvoorbeeld op het gebied van wonen, infrastructuur en bedrijven) voorzien, die in samenhang met de mogelijke gevolgen van het voorgenomen bestemmingsplan de verwachte effecten zouden kunnen versterken.


De beoordeling van het plan is opgenomen in de onderstaande tabel.


Milieuaspect   Beoordeling op basis van  
  de kenmerken van de voorgenomen uitbreiding en de potentiële effecten, gegeven deze kenmerken en de kenmerken van de locatie   mogelijke effecten in verband met ligging ten opzichte van gevoelige gebieden  
Bodem
 
Het plangebied bevat geen bodemkundige waarden.

Verder zie paragraaf 4.2.
Voorafgaand aan de realisatie van het bouwplan zal een locatie met asbestverontreiniging worden gesaneerd.

De voorgenomen ontwikkeling heeft geen (vrijwel) negatieve gevolgen voor de bodemkwaliteit.  
Eventuele effecten zijn beperkt tot het plangebied.  
Water   Zie paragraaf 4.7
Het hemelwater van verharde oppervlakten wordt via wadi's geïnfiltreerd in de bodem.
Het plan voldoet verder aan de gangbare voorwaarden om invloed op de waterhuishouding en de waterkwaliteit tegen te gaan. Er worden geen belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu verwacht.

 
Het plan heeft geen invloed op de ecologische waarden van de Soerense Beek.

Gegeven de voorwaarden waaraan het plan moet voldoen, zal het plan ook overigens geen invloed hebben op de waterhuishouding in de omgeving.  
Archeologie en cultuurhistorie
 
Zie paragraaf 4.10
Het plangebied is geen beschermd dorpsgezicht en heeft geen betrekking op beschermde monumenten. De bestaande houtsingel zal voor een groot deel worden gespaard.
Mede doordat de woningbouwlocatie beperkt is tot een oppervlakte van ca. 3 ha in een gebied dat deels achter bestaande bebouwing ligt, is de invloed op de cultuurhistorische kenmerken van het landschap gering.

Globaal genomen bestaat een kans op vindplaatsen vanaf het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd. Er is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Daarbij zijn geen archeologische resten aangetroffen. Mede omdat de bodem grotendeels reeds is verstoord, wordt vervolgonderzoek niet nodig geacht.

Het plan hereft geen belangrijke nadelige gevolgen voor de archeologie en de cultuurhistorie.

 
Gelet op de ligging (in een logisch begrensde landschappelijke eenheid, deels achter lintbebouwing) en de beperkte oppervlakte wordt vrijwel geen effect verwacht op de landschappelijke samenhang in de omgeving.

Het plan heeft geen invloed op eventuele archeologische waarden in de omgeving.  
Landschap   Zie paragraaf 3.2
Het plangebied als geheel bestaat uit twee delen. Het noordelijk deel behoud zijn landschappelijke karakter. Hier worden landschappelijke en natuurwaarden beschermd (bestemming: Agrarisch met waarden). In het noordelijk deel van het plangebied wordt rekening gehouden met beeldbepalende bomen en met de houtsingel die door het plangebied loopt. Deze groene corridor loopt door tot in heet zuidelijke gedeelte.
Het zuidelijk gedeelte wordt meer intensief ontwikkeld ten behoeve van woningbouw. Dit zuidelijk deel ligt in de oksel van lintbebouwingsstrengen. De noord- en oostzijde zijn met name gereserveerd voor meer open bebouwingsvormen, in aansluiting op de directe omgeving en de dorpskarakteristiek. Hierdoor blijft het landschap 'voelbaar' in het plangebied.

Gelet op het voorgaande en de beperkte oppervlakte van het te bebouwen plandeel, worden geen belangrijke negatieve gevolgen voor het landschap verwacht.  
Het gedeelte waar de woningbouw wordt ontwikkeld (dit is het gedeelte dat landschappelijk verandert) is van beperkte omvang en vormt een logische begrensde landschappelijke eenheid, daardoor zijn geen belangrijke gevolgen voor het landschap in de omgeving te verwachten.  
Natuur
 
Zie paragraaf 4.11
Het plangebied maakt geen deel uit van de Ecologische hoofdstructuur. Het plan houdt rekening met het leefgebied van de steenuil. Hiervoor is een compensatieplan opgesteld, waardoor gevolgen worden voorkómen. Een voorwaarde is verder dat bij de aanleg geen nesten worden verstoord tijdens het broedseizoen.
Mede vanwege deze voorwaarden is invloed op de gunstige staat van instandhouding van aanwezige soorten uitgesloten.  
In een eerder stadium is nagegaan of het plan significante gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van de Veluwe. Dit is niet het geval. Er is in 2007) een vergunning op grond van de natuurbeschermingswet verleend voor een plan met 122 woningen, hiervan zullen slechts maximaal 60 worden gerealiseerd.  
Woon- en leefmilieu      
geluid   Zie paragraaf 4.1:
Er worden geen belangrijke negatieve gevolgen verwacht.
Zie paragraaf 4.3:
Er is rekening gehouden met de hinderafstanden tot bedrijven in de omgeving.  
Er is in het onderzoek ten behoeve van het bestemmingsplan rekening gehouden met de invloed op verkeersintensiteiten in de omgeving en de mogelijke gevolgen daarvan voor de geluidbelasting in de omgeving. Er worden geen belangrijke negatieve gevolgen verwacht.
 
luchtkwaliteit   Zie paragraaf 4.4:
het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Zie paragraaf 4.3:
Er is rekening gehouden met de hinderafstanden tot bedrijven in de omgeving.  
Geen gevoelige gebieden in de omgeving  
verkeershinder en verkeersveiligheid   Zie paragraaf 4.6.
Gelet op de ontsluitingsstructuur (twee aansluitingen op het wegennet), de huidige verkeersbelasting in de omgeving en de verwachte verkeersproductie van de woningen, worden (vrijwel) geen negatieve effecten verwacht. De beide aansluitingen op het wegennet kunnen de geschatte verkeersintensiteiten verwerken.  
Zeer geringe invloed op de verkeerssituatie in de omgeving. De Harderwijkerweg is een gebiedsontsluitingsweg en geschikt om op regionaal niveau het verkeer dat door de (maximaal 60) nieuwe woningen (gebiedsontsluitingswegen) wordt veroorzaakt, af te wikkelen.  
Gezondheid van de mens   Het plan veroorzaakt op zich geen negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens. Het plan houdt rekening met de gewenste afstand tot de tuinderij aan de noordzijde van het plangebied (vrijwaring spuitzone van woningen).   Geen gevolgen voor de omgeving  
Externe veiligheid   Zie paragraaf 4.5
Het plan voldot aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Het groepsrisico is verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht.
Er worden dus wat dit aspect betreft geen belangrijke negatieve milieugevolgen verwacht.  
Geen gevolgen voor de omgeving  
Gebruik van grondstoffen en energie   Zie paragraaf 4.9
Het plan voldoet aan de gestelde eisen inzake duurzaamheid en energie. Het uitvoeringsprogramma Rheden Duurzaam in 2010 zal worden aangehouden. Dit betekent dat de nieuwe woningen moeten worden gerealiseerd met een 10% scherpere EPC (energieprestatiecoëfficient) dan wettelijk is vereist.
Er worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht.  
Geen gevolgen voor gevoelige gebieden in de omgeving  

Conclusie

Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan op zich en in samenhang met andere plannen geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied zelf, voor woningen en bedrijven in de directe omgeving en voor gevoelige gebieden in de omgeving. Een nadere m.e.r.-beoordeling is niet nodig.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Locatie Nimmer Dor

Om tot ontwikkeling van het plan Nimmer Dor te komen is een

samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de gemeente en Reinbouw d.d. PM

Hierin zijn afspraken gemaakt met betrekking tot verkoop van grond aan Reinbouw

volgens een marktconforme, residueel bepaalde grondprijs. De verdere ontwikkeling

van het gebied is voor rekening en risico van Reinbouw. De financiële afspraken welke

betrekking hebben op de gemeente zijn vertaald in de gemeentelijke grondexploitatie

van dit project. Deze jaarlijks herziene grondexploitatie maakt onderdeel uit van de

gemeentelijke begroting/ jaarrekening welke elk jaar door de raad wordt vastgesteld.

Het plan kent een negatief saldo op de grondexploitatie. Om dit negatieve saldo te

dekken is een voorziening gevormd ter hoogte van het verwachte verlies. Het plan is

hiermee economisch uitvoerbaar. De raad heeft besloten (aan de raad zal ter

besluitvorming worden voorgelegd) geen exploitatieplan vast te stellen gezien de

privaatrechtelijke overeenkomst met Reinbouw.

Locaties Prof.Talmaweg

De betreffende percelen zijn geen eigendom van de gemeente en de particuliere eigenaren dragen de kosten van de bouwplannen, eventuele gemeentelijke maatregelen op het perceel of in het openbaar gebied. De eigenaren vrijwaren de gemeente van planschade.
Daarmee is het verhaal van kosten voldoende verzekerd en behoeft voor geen van deze percelen een exploitatieplan te worden vastgesteld. Realisatie binnen de planperiode door de eigenaren is reëel.

Lokatie Harderwijkerweg

Op het terrein aan de Harderwijkerweg worden 3 tot 4 woningen gebouwd. De kosten en opbrengsten welke gepaard gaan met de ontwikkeling van dit terrein zijn  meegenomen in een grondexploitatie.  Deze jaarlijks herziene grondexploitatie maakt onderdeel uit van de gemeentelijke begroting/ jaarrekening welke elk jaar door de raad wordt vastgesteld.

Het plan kent een negatief saldo op de grondexploitatie. Om dit negatieve saldo te

dekken is een voorziening gevormd ter hoogte van het verwachte verlies. Het plan is

hiermee economisch uitvoerbaar.

Overigens betreft de ontwikkeling van dit plandeel geen bouwplan waarvoor op grond van de Wro een grondexploitatieplan behoeft te worden opgesteld, de betreffende gronden zijn namelijk in zijn geheel eigendom van de gemeente Rheden.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg en inspraak

In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening heeft overleg plaatsgevonden met de volgende instanties:

a. Provincie Gelderland

b. Waterschap Vallei en Veluwe

d. N.V. Nederlandse Gasunie

d. gemeente Brummen

e. Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed

f. Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden

De ingekomen vooroverlegreacties zijn als bijlagen 18, 19, 21, 22, 23 en24 aan deze toelichting toegevoegd.

Ad a. Provincie Gelderland

Samengevat merken de provinciale afdelingen het volgende op.

Opmerkingen

Het plangebied is gelegen in het provinciale Waardevolle landschap Zuidelijke IJsselvallei. Het beleid hiervoor is opgenomen in paragraaf 2.12 van de structuurvisie. Ter plekke is sprake van de 'ja mits'benadering: bestemmingsplanwijziging is toegestaan mits de kernkwaliteiten worden behouden en versterkt. De kernkwaliteiten zijn beschreven in de streekplanuitwerking 'Kernkwaliteiten waardevolle landschappen'.

Het genoemde beleid is onvoldoende vewerkt in het plan. De kernkwaliteiten zijn niet genoemd en daarom kan niet worden aangetoond of ze worden behouden of versterkt. Geadviseerd wordt om de kernkwaliteiten voor het plangebied in de toelichting te benoemen.

Reactie gemeente

De toelichting is op dit onderdeel aangevuld (zie paragraaf 4.13 Landschap')

Geconcludeerd is dat door de uitvoering van het bestemmingsplan de kernkwaliteiten van het Waardevolle Landschap zoals uitgewerkt in het gemeentelijk Landschapsontwikkelingsplan niet worden aangetast.

Opmerkingen

Het beleid voor stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in paragraaf 2.1 van de structuurvisie respectievelijk in artikel 2 van de verordening is in principe voldoende verwerkt in het plan. Echter met de herziening van het Bro op 2-10-2012 is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.6.1 lid 2 Bro. Deze ladder is niet genoemd in het bestemmingsplan en de ruimetlijke ontwikkelingen zijn daarom onvoldoende getoetst aan de Ladder.

Reactie gemeente

Aan de toelichting is een nieuwe paragraaf 4.9 Toets aan Ladder voor duurzame verstedelijking' toegevoegd. Daarin is alsnog aandacht besteed aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. De beoogde ontwikkelingen zijn daarbij alsnog afgewogen en onderbouwd aan de hand van de drie treden uit de Ladder. Geconcludeerd is dat het onderhavige bestemmingsplan aansluit bij de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

Opmerkingen

De provincie wijst erop dat de Ruimtelijke Verordening is herzien met ingang van 27 juni 2012.

Reactie gemeente

Deze datum is aan paragraaf 2.2 van de toelichting toegevoegd.

Opmerkingen

Ten aanzien van de bodem wordt opgemerkt, dat nadere aandacht moet worden besteed aan de bodemverontreinging met asbest op de locatie Harderwijkerweg 54-58. Aangegeven is dat geen sprake is van asbestverontreidiniging in de zin van de wet Bodembescherming. Bij de planvorming dient echter ook sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening en daarbij hoort ook de volksgezondheid.

Reactie gemeente

De asbestverontreiniging is nader onderzocht. In 3 van de 7 sleuven werd analytisch asbest aangetroffen. Het ging om een asbestconcentratie van 1, 1,9 en 8,8 mg/kg d.s. De interventiewaarde/restconcentratienorm voor (niet-) hechtgebonden asbest is 100 mg/kg d.s. De gevonden waarden blijven daarmee ver onder de normstelling. Er is dus zeker geen sprake van een gezondheidsrisico. De toelichting is op dit onderdeel aangevuld (zie paragraaf 4.2 Bodem').

Opmerkingen

Bij het hoofdstuk grondwater overlast wordt gesteld dat mogelijk sprake is van een kwel. Hier is ander onderzoek noodzakelijk omdat een kwel belangrijk kan zijn inzake ecologie. Bij verstoring van eventuele ondoorlatende lagen kunnen de hydrologische omstandigheden wijzigen hetgeen ten koste kan gaan van natuurbelangen.

Reactie gemeente

Er is mogelijk sprake van kwel als gevolg van beken ten zuiden van het plangebied. Het is van belang dat de aanwezige kleilagen in het plangebied niet worden doorbroken. Doorbreking van de lagen kan namelijk leiden tot nieuwe kwelstromen en daardoor leegloop van de beken, of het kwelwater kan aan de oppervlakte komen. Dit kan worden voorkomen door niet te heien in het plangebied en door de riolering niet te diep aan te leggen. Heien is in het plangebied niet noodzakelijk gelet op de bodemopbouw. Daarnaast zal de riolering niet dieper dan 2 m worden aangelegd. Daarmee zal geen verstoring plaatsvinden van de hydrologische omstandigheden en zal het kwel geen probleem vormen voor de realisatie van het plangebied. De toelichting is op dit onderdeel aangevuld (paragraaf 4.7 Water').

ad b. Waterschap Vallei en Veluwe

Samengevat merkt het waterschap het volgende op.

Opmerkingen

Plan is het afstromende hemelwater te infiltreren. Het plangebied ligt in de gondwaterfluctuatiezone van de Veluwe opgesteld door de provincie. Daarnaast heeft het plangebied een Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) die van 30- 50 cm onder het maaiveld komt. Dit kan, naast de kwel, in ernstige mate de infiltratie nu en in de toekomst beïnvloeden (ook met bodemverbetering). Ook kan hiermee de ontwateringsdiepte van de bebouwing en wegen in geding komen. Veelal wordt een ontwateringsdiepte van 100cm (t.o.v. van GHG) geadviseerd voor gebouwen (bovenkant vloer, met kruipruimte).

 Ook is niet duidelijk hoe de berging op eigen terrein aansluit op die van het openbaar gebied, wanneer de infiltratie/bergingscapaciteit bereikt is.

Reactie gemeente

De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) is 30 tot 50 cm onder het maaiveld gelegen. Bij een wegaanleg ter hoogte van het huidige maaiveld (+10 cm) en een peil van +20 cm boven de weg, betekent dit dat de GHG tussen de 60 en 90 cm ligt. In het algemeen wordt echter een ontwateringsdiepte van 100 cm (t.o.v. van de GHG) geadviseerd voor gebouwen (bovenkant vloer, met kruipruimte). Dit betekent dat in het plangebied kruipruimteloos gebouwd zal moeten worden. Er hoeft dan geen sprake te zijn van een geforceerde ontwateringsdiepte.

Ten aanzien van de infiltratie/bergingscapaciteit geldt dat in de openbare ruimte meer dan voldoende ruimte aanwezig is om wadi's /infiltratievelden met een bergingscapaciteit van minimaal (de norm van) 36 mm aan te leggen. Daarbij kan tevens rekening worden houden met de particuliere bouwpercelen; overloop als de infiltratie/bergingscapaciteit bereikt is of zelfs afspraken maken om een gedeelte van de benodigde capaciteit op de openbare voorzieningen op te vangen.

Het bovenstaande is in de toelichting verwerkt.

Opmerkingen

Voor een lozing van een verhard oppervlak boven de 1500 m2 dient een watervergunning te worden aangevraagd. Voor de lozing op HEN en SED wateren geldt geen ondergrens voor de lozing. Dan dient altijd een vergunning te worden aangevraagd. Dit zijn beken van het Hoogst Ecologische Niveau. Door lozing van hemelwater (wel of niet tijdens piekafvoeren) kan de waterkwaliteit sterk verminderen waarbij het voortbestaan van aanwezige flora en fauna kan worden bedreigd.

 De lozing vindt plaats op een watergang die uitkomt op de Soerense beek. De Soerense beek is een HEN-water waarvoor bovengenoemde uitgangspunten gelden. De lozing van hemelwater mag niet leiden tot een dusdanige toename van de stroomsnelheid in de Soerense beek dat die de ecologie in de beek kan schaden. Boven de norm van 36 mm die in het algemeen geldt voor lozingen van hemelwater dient er rekening gehouden te worden met extra maatregelen om een toename van stroomsnelheden in de beek te beperken.

Daarnaast wordt geadviseerd om zo min mogelijk gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Dit alles om extra belasting van het bestaande oppervlakte- en grondwater te voorkomen.

Reactie gemeente

Een benodigde watervergunning zal te zijner tijd worden aangevraagd. Ten aanzien van lozingen van hemelwater boven de algemene norm van 36 mm kan worden vermeld dat in de openbare ruimte meer dan voldoende ruimte om wadi's/infiltratievelden met een bergingscpaciteit van minimaal 36 mm aan te leggen. Daarbij kan tevens rekening worden houden met de particuliere bouwpercelen; overloop als de infiltratie/bergingscapaciteit bereikt is of zelfs afspraken maken om een gedeelte van de benodigde capaciteit op de openbare voorzieningen op te vangen. De toelichting is op dit onderdeel aangevuld.

Ten aanzien van de bouwmaterialen geldt dat dit advies te zijner tijd bij de te maken keuzes zal worden meegenomen.

ad c. N.V. Nederlandse Gasunie

Opmerkingen

De gasunie stelt voor het woord 'onevenredig' in artikel 8 Leiding -Gas onder 8.6.c en 8.6.d te schrappen teneinde geen concessies te doen ten aanzien van veiligheid.

Reactie gemeente

Hiertegen bestaan geen bezwaren. Het woord evenredig is alsnog geschrapt.

Opmerkingen

De tabel in de toelichting (paragraaf 4.5) vermeldt 75 m, dit moet zijn 70 m.

Reactie gemeente

De toelichting is op dit onderdeel aangepast.

Ad d. Gemeente Brummen

De gemeente Brummen heeft laten weten geen aanleiding te zien tot het geven van een reactie op het toegezonden voorontwerpbestemmingsplan.

Ad e. Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft geconstateerd dat binnen het plangebied geen cultuurhistorische waarden van nationaal belang in het geding zijn. Op grond daarvan heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed aangegeven geen adviserende rol in dit planologische proces te hebben.

Ad f. Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden

Opmerkingen

De VGGM geeft aan dat het plangebied deels ligt binnen de effectafstanden van de route gevaarlijke stoffen van de Kanaalweg en van de buisleiding langs de prof. Talmaweg. De risico's bestaan uit BLEVE, plasbrand en fakkelbrand. Een dreigende BLEVE wordt in de regel bestreden door blus- en koelwerkzaamheden. Een plasbrand zal bestreden worden door blussen met schuim. Bij een fakkelbrand zal de gastoevoer gestopt moeten worden. Bij een incident op de provinciale weg kan water uit het kanaal worden ingezet. In de nabijheid van het plangebied is slechts beperkt bluswater beschikbaar.

Verder adviseert de VGGM in eerste isntantie om in het kader van de basisbrandweerzorg en brandpreventieve zaken nader advies te vragen bij de brandweer Rijn-IJssel.

Ten aanzien van het advies van de brandweer heeft VGGM alsnog contact opgenomen met de brandweer en aanvullend laten weten dat momenteel geen nader advies noodzakelijk blijkt. Advisering over brandpreventie zal te zijner tijd worden meegenomen in de bouwplantoetsing.

Reactie gemeente

Paragraaf 4.5 Externe veiligheid is aangevuld met de resultaten van het overleg met de VGGM. Overigens doet dit verder geen afbreuk aan de conclusies dat de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico niet wordt overschreden en dat het groepsrisico aanvaardbaar is. Bij de bouwplantoetsing zal afstemming met de brandweer plaatsvinden.

7.2 Overleg met de bevolking/belanghebbenden

Kennisgeving

De vooraankondiging is op 1 mei 2013 geplaatst op de gemeentelijke pagina, de Rhedenaar, in een huis-aan-huis blad. De Rhedenaar wordt tevens geplaatst op dewebsite van de gemeente. Overigens is ook eerder reeds, op 16 november 2011, een vooraankondiging gepubliceerd ten aanzien van de locatie Nimmer Dor.

Inspraak

De gemeentelijke inspraakverordening schrijft geen inspraak voor. Er is geen aanleiding gezien om onverplicht inspraak te geven. Wel is het stedenbouwkundig plan in samenwerking met drie belangengroepen tot stand gekomen. Deze belangengroepen zijn het Soerens Belang, Stichting Nimmer Dor Nee, IVN en omwonenden.

Er zijn diverse bijeenkomsten geweest om te komen tot het uiteindelijke stedenbouwkundige plan op basis waarvan nu het bestemmingsplan is vervaardigd. Tijdens de eerste bijeenkomst is het stedenbouwkundig plan gepresenteerd waar de gemeente en de beoogd ontwikkelaar achter stonden. Er is vervolgens gesproken over de wijze waarop het plan het beste aangepast kon worden om te komen tot een plan waar meer draagvlak voor is. Dit heeft geleid tot verschillende sessies waarin stap voor stap het proces om te komen tot een nieuw en geoptimaliseerd stedenbouwkundig plan is doorlopen.

7.3 Zienswijzen

De beantwoording van ingediende zienswijzen zal te zijner tijd als een bijlage worden opgenomen.

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met het ontwerpbesluit van ……….. tot en met ….. voor een ieder ter inzage gelegen. De tervisielegging is bekendgemaakt op de gemeentelijke pagina, de Rhedenaar, in een huis-aan-huis blad, de Staatscourant en op de gemeentelijke website www.rheden.nl.


Via www.ruimtelijkeplannen.nl konden ze worden ingezien en worden gedownload. De verbeelding op papier lag tevens ter inzage in het gemeentehuis en in het gemeentelijk informatiecentrum te Dieren.


De beantwoording van de ingediende zienswijzen zal plaatsvinden via een bijlage bij het raadsbesluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.

Bijlagen bij de toelichting

Bijlage 26 Zienswijzennota PM